‘Facebook’-moord is misleidend

Een rare redenering in de rechtbank van Arnhem deze week. De kinderrechters besloten het proces tegen een 16-jarige verdachte van een moord op een 15-jarig meisje in het openbaar te behandelen. Dat gebeurt bijna nooit; de reden om nu van deze regel af te wijken, meldt de rechtbank, is dat de samenleving gewaarschuwd moet worden voor de gevaren van de sociale media. De moord was namelijk een uitvloeisel van een ruzie die voor een deel op Facebook werd uitgevochten. De vader van het vermoorde meisje vond de openbaarheid geheel terecht. Kleine ruzies kunnen op internet gemakkelijk uit de hand lopen, zei hij volgens het AD.

Huh?

Het lijkt erop dat emoties hier eerder het handelen hebben bepaald dan de ratio. Ik heb het niet paraat, maar me dunkt dat ook veel moorden worden gepleegd in gezinsverband, in de kroeg, op straat en tussen vrienden. Dat is geen reden om de samenleving te wijzen op gevaren van het gezin, het café, de openbare weg en vriendschapsbanden. Als de ruzie zich in het klaslokaal had afgespeeld was de moord waarschijnlijk ook gepleegd.

Uit de redenering van de rechters blijkt een groot onbegrip voor het wezen van sociale media. Of misschien is het nog meer angst dan onbegrip. De rechtbank geeft er blijk van geen idee te hebben van wat er allemaal gebeurt op en met het internet. Het is te groot en te onoverzichtelijk; te veel onttrekt zich aan onze waarneming; en er is geen of nauwelijks controle mogelijk. En dus is het gevaarlijk.

Ouders en andere opvoeders maken hun jonge kinderen wegwijs in de wereld. Je vertelt ze hoe ze de straat moeten oversteken en dat ze niet met vreemden moeten meegaan. Je leert ze omgaan met angsten en onzekerheden. Zo behoort het ook onderdeel van de opvoeding te zijn om je kinderen te vertellen over het internet. Het is verstandig, lijkt mij, om de dialoog aan de gang te houden zodra ze zich eenmaal enigszins vrij kunnen bewegen over het web. Je praat met ze over wat ze online meemaken, zoals je ook met ze praat over hun schooldag. Als je een goede relatie met je kinderen hebt, zullen ze je vertellen wat er gebeurt. En jij kunt helpen om die gebeurtenissen van een contekst te voorzien, om ze te helpen verklaren.

Wat in ieder geval niet helpt is om de gebruikelijke bescherming van de privacy van minderjarige verdachten overboord te gooien omdat dat akelige internet een rol heeft gespeeld in de moordzaak. 

 

Over Hyves, Facebook en de nieuwste mode

Hyves screenshot

De teloorgang van Hyves illustreert het risico van een sociale-mediabeleid dat te veel gericht  is op één enkele partij. De populariteit van sociale media wisselt snel; de loyaliteit van de klanten van Facebook en LinkedIn is fragiel. Natuurlijk is er een zekere mate van 'vendor lock-in' – wie veel tijd heeft gestoken in het opmaken van zijn Facebook-profiel en er zijn hele sociale leven op heeft ondergebracht, zal niet zo snel wisselen als zijn buurman die slechts oppervlakkig van het medium gebruik maakt.

De fragiliteit wordt veroorzaakt doordat de populariteit en het gebruik van sociale media sterk afhangen van het imago. Zolang het imago klopt (hip, modern, artistiek, innovatief) blijven de klanten wel komen die zich aangesproken voelen door zo'n imago. Maar een enkele misstap van de provider legt een bom onder het beeld, dat in duizend scherven uiteenspat. Sterker, er is niet eens een misstap nodig. Wat heeft Hyves 'misdaan' dat er nu zoveel mensen tegelijk weglopen? Er zijn geen grote blunders begaan. Het enige wat je Hyves eventueel zou kunnen verwijten, is dat het te traag is geweest met innovatie. Het heeft op zijn lauweren gerust toen het de grootste was van Nederland, en het heeft te afwachtend gereageerd toen Facebook begon met zijn inhaalrace.

Ook de gebondenheid aan LinkedIn, Facebook en dergelijke wordt minder, omdat er steeds meer applicaties beschikbaar komen die je toestaan om alle data die je daar hebt opgeslagen te downloaden. Het besef dringt door dat wij allemaal eigenaar zijn van de data die we zo vriendelijk hebben gedeeld met de wereld; en dat het aan ons is om te beschikken over die data.

Stel nu dat je als onderneming al je kaarten hebt gezet op het gebruik van Hyves – dan valt je sociale-mediastrategie op dit moment als een kaartenhuis in elkaar. Daarom is het verstandig om

  • je flexibel op te stellen
  • op de hoogte te blijven van nieuwe spelers op de markt
  • je inspanningen te verdelen over ten minste twee, liever nog drie verschillende partijen
  • niet te aarzelen als je merkt dat de effectiviteit van je investering afneemt

Ik denk dat we van een ding zeker kunnen zijn: als fenomeen zijn sociale media uiterst bestendig – ze zullen niet verdwijnen. Maar als merk, en dus als investering, zijn ze volgens mij niks waard. Ik zou er in ieder geval geen geld in steken.

Het nieuwe sociale speeltje Pinterest: vooral voor de consumentenmarkt

Ik ben geen grote fan van Facebook. Ik weet het, het lijkt op heiligschennis om dat te beweren op het moment dat het aantal gebruikers de 850 miljoen nadert. Ik vind het concept geweldig, en volgens mij is Facebook (naast Google en Apple) een van de innovatiefste bedrijven van het afgelopen decennium. Ik kan alleen niet wennen aan die gebruikersinterface. Hoe ik ook mijn best doe, het lukt me niet om de pagina's zo in te delen dat ik er gemakkelijk op kan terugvinden wat ik wil.

Er is nu een nieuw sociaal speeltje op de markt gekomen, Pinterest, een van de snelste groeiers in de wereld van de sociale netwerken. Vanwege de nauwe band met Facebook was ik in eerste instantie een beetje sceptisch. 

Een paar maanden terug kreeg ik een uitnodiging om een kijkje te nemen, en ik heb er inmiddels een account aangemaakt. Ik had even wat tijd nodig voordat ik er mijn weg vond – mijn eerste indruk was dat de site eigenlijk diende als een grote etalage voor stijlbewuste mensen – van het vrouwelijk geslacht vooral. Veel mode, lifestyle, decoratie en dergelijke.

Vernieuwend aan Pinterest vond ik wel de nadruk op het beeld. Je geeft je voorkeuren te kennen door je eigen profiel op te bouwen met behulp van afbeeldingen. En dat biedt ook ingangen voor ondernemingen die hun commerciële communicatie met Pinterest willen verbeteren; en voor journalisten die op zoek zijn naar nieuwe manieren om hun publiek te bereiken.

Ik heb nog geen Nederlandse kranten met een eigen aanwezigheid op Pinterest opgemerkt, maar MediaBistro presenteerde vorige week een mooi overzicht van Amerikaanse kranten. Een paar springen eruit: de Wall Street Journal heeft een stuk of twintig verschillende categorieën ingericht, waarvan ik de Quotes sectie het mooiste vind. Een handige manier om je publiek attent te maken op bijzondere citaten in je krant. En ook de Guardian heeft iets moois van zijn pagina gemaakt: opvallende beelden bij opvallende verhalen worden gepresenteerd onder de noemer 'On our radar'.

Pinterest is niet heel geschikt voor diepgaande interactie tussen redacties en hun publiek. Maar het lijkt me wel een heel geschikt medium om ankeilers  te presenteren voor je nieuwe producties – alleen als die ankeilers visueel aantrekkelijk neergezet kunnen worden natuurlijk. En vanwege de nauwe band die er met Facebook onderhouden kan worden, is het ook een eitje om een inhoudelijke wisselwerking te realiseren tussen Facebook en Pinterest. 

Maar toch, eerlijk gezegd: als een journalistieke organisatie met zijn beperkte middelen moet kiezen welke sociale media worden ingezet, zou Pinterest niet hoog op mijn lijstje staan – en in ieder geval onder Facebook terecht komen.

Anders ligt dat voor 'gewone' bedrijven. Die zouden op dit moment nog voor Facebook moeten kiezen vanwege de grotere penetratie in vrijwel alle markten. Maar als Pinterest werkelijk aanslaat, kan de unieke wijze van presenteren wel degelijk een grote plus zijn voor ondernemingen – en dan vooral die ondernemingen die zich op de consumentenmarkt begeven. B2B – nee, dat zie ik niet gebeuren.

Beursgang Facebook is winst van de hackerscultuur

Het nieuws van de week is natuurlijk de beursgang van Facebook. Het zat er al lang aan te komen, maar als het dan ook werkelijk gebeurt, kabbelt er toch een klein golfje van opwinding over het internet. Niet zozeer vanwege het nieuws zelf, als wel omwille van de implicaties: ook in dit gure economische klimaat zijn er bedrijven die erop vertrouwen dat ze voldoende interesse kunnen kweken bij de beleggers om de beursgang tot een succes te maken. En, net zo belangrijk: omdat de aankondiging van de beursgang gepaard ging met een hoop details over de bedrijfsvoering bij Facebook die we tot nu toe nog niet kenden.

Potentiële beleggers zullen zich afvragen hoe groot de risico's en de kansen zijn. Grappig overigens om te zien hoe de ene analist de factor 'mobiel' vooral als een bedreiging ziet (Facebook maakt er nu nog geen dollar winst), terwijl de andere dat juist als een kans ervaart (Facebook maakt er nu nog geen dollar winst!).

Wat ik eigenlijk vooral interessant vind, zijn de gedachten zoals die worden ontplooid in Marc Zuckerberg's begeleidende brief. Die is eigenlijk in twee grote delen op te splitsen. Het eerste deel gaat over de manier waarop Facebook tegen de toekomst van het web aankijkt. Dit deel is heel idealistisch:

… to give everyone a voice and to help transform society for the future…

… We hope to strengthen how people relate to eachother …

… We hope to improve how people connect to businesses and the economy …

… We hope to change how people relate to their governments and social institutions …

Nou ben ik zelf nauwelijks een Facebook-gebruiker (ik vind de interface absoluut niet gemakkelijk en uitnodigend), maar ik word wel geraakt door Zuckerbergs visie. Er spreekt een groter idealisme uit, een groter verlangen om met een goed product daadwerkelijk bij te dragen aan een betere wereld, dan je terugvindt in de prospectus van een gemiddelde beursnieuwkomer.

Maar eigenlijk zou een cynicus dit nog wel af kunnen doen als handige verkooptactiek, vooral bedoeld om de critici de pas af te snijden die het niet zo op hebben met het privacy beleid van Facebook.

Het tweede deel is interssanter nog, vooral omdat hier niet getwijfeld kan worden aan de intentie. Hackers staan er niet goed op bij het grote publiek. Hackers zijn die puisterige pubers die je bankrekening proberen te plunderen via je internetaccount, die je inbox volstoppen met spam, en die de nagel zijn aan de doodskist van de diplomatie (Wikileaks), de muziekindustrie (Pirate Bay!) en de filmwereld (Isohunt!). En toch breekt Zuckerberg onder de kop 'The Hacker Way' een lans voor hen. Het is de moeite  waard hier wat uitgebreider uit te citeren.

The word "hacker" has an unfairly negative connotation from being portrayed in the media as people who break into computers. In reality, hacking just means building something quickly or testing the boundaries of what can be done. Like most things, it can be used for good or bad, but the vast majority of hackers I've met tend to be idealistic people who want to have a positive impact on the world.

Hackers, zegt Zuckerberg, zijn mensen die liever gaan voor de inhoud dan voor het proces, die liever een risico nemen dan afwachten, die liever hands-on actief zijn dan beheren – en het is de hacker-cultuur die Facebook heeft gemaakt tot wat het nu is. Het succesvolste sociale netwerk ooit met meer dan 800 miljoen actieve gebruikers. Dat is bijna 10 % van de wereldbevolking!

De hacker-cultuur is bij Facebook omgezet in vijf basisprincipes:

  • focus on impact. Pak de grootste problemen aan die je kunt vinden
  • move fast. Ook al betekent dat dat er soms iets mislukt of zelfs kapot gaat – dat is dan nog beter dan niets doen
  • be bold. De riskantste strategie is de risicomijdende strategie
  • be open. We proberen, ook intern, zo weinig mogelijk voor elkaar te verbergen. Als iedereen op de hoogte is, worden de beste beslissingen genomen
  • build social value. We zijn er niet alleen voor onszelf, maar ook voor de wereld.

Als de beursgang van Facebook een succes wordt en blijft – dan is dat ook een overwinning voor de hackers onder ons.

 

We ‘raden niet aan’, maar ‘vinden wel leuk’

Op Nieman Journalism Lab, een site voor journalistieke vernieuwing, staat een interessant verhaal over het vervangen van Facebooks ‘share’ knop door de ‘like’ knop. We delen steeds minder, en vinden steeds vaker leuk. De reden is betrekkelijk simpel, zowel voor de gebruikers als voor de aanbieders van deze knoppen.

Iets leuk vinden is leuk, en wil je graag delen. Hee vrienden, kijk eens wat ‘n leuke site ik gevonden heb. Vind jij vast ook geweldig. Misschien kun je er iets mee. Iets delen, laat staan iets aanraden, stelt Nieman terecht, voelt veel meer als een klus. O ja, dit moet ik ook nog even doorgeven aan die collega. Niet vergeten  te doen. O shit, toch vergeten… nou ja, je voelt denk ik ook wel het verschil. Dat wat betreft de gebruikers.

Voor de aanbieders van de knoppen is het voordeel nog evidenter. Gebruikers klikken veel vaker op de ‘like’ dan op de ‘share’ knop. Voor de keuze gesteld of een bericht 100 of 1000 keer wordt verspreid via het gigantische sociale netwerk dat Facebook is, hoef je niet lang na te denken: like, dus.

Toch is de keuze wellicht minder gemakkelijk dan het hier lijkt, zeker voor traditionele nieuwsorganisaties. Als ik een bericht heb over de opstand in Libië, wat betekent het dan precies dat ik dit bericht ‘leuk’ vind? Vind ik de opstand zelf leuk, of vind ik het bericht goed? Dat is niet zo evident.

Ook de meeste Nederlandse nieuwssites lijken zich aan de ‘conventie’ te houden – voor zover je al kunt spreken van een conventie. Op vk.nl wordt ‘aanraden’ gebruikt, net als bij telegraaf.nl, trouw.nl en ad.nl. NRC hanteert ‘recommend’, mogelijk omdat ze in Rotterdam nog niet zijn toegekomen aan de vertaling. Maar misschien vinden ze het gewoonweg sjieker staan. Tweakers.net, een techblog met nieuws, gebruikt ‘delen’, terwijl GeenStijl op zijn nieuwe site helemaal niet van het bestaan van Facebook op de hoogte lijkt. Sowieso vind ik het opvallend dat GeenStijl niet is ingeplugd in de sociale netwerken.

Nieman trekt de conclusie dat nieuwsorganisaties zich bewust moeten zijn van die voorkeur van nieuwsconsumenten: iets ‘leuk’ vinden werkt beter dan iets ‘aanraden’, en dat betekent misschien wel dat je daarmee rekening moet houden met de keuze van je nieuws. Vind ik wel wat ver gaan. Maar een andere conclusie deel ik wel: als je publiceert op het internet en je wilt het multiplier effect gebruiken dat sociale media kunnen hebben, volstaat het niet om een Facebook of Hyves knopje onder je artikel te zetten. Vind je sociale media echt belangrijk, dan moet je je content daarop afstemmen en rekening houden met de voorkeuren van je publiek. Zij verspreiden alleen nieuwtjes in hun eigen sociale netwerk die ze echt ‘leuk’ vinden, die werkelijk de moeite waard zijn.

Disclaimer: ik realiseer me dat ik moet werken aan dat nietszeggende rijtje knopjes onder dit verhaal, achter het kopje ‘share’. Voorlopig beschouw ik het maar als een klein service-element op deze site.

Twitter als bron voor journalisten

Kwam deze post tegen op mediahelpingmedia.org over het gebruik van Twitter als journalistieke bron. Sluit aardig aan op de training die ik onlangs gaf aan tachtig redacteuren van een regionale krant over het doen van research op het internet en het journalistieke gebruik van sociale media.

Als je als verslaggever Facebook en Twitter wil gebruiken, dan is de allerbelangrijkste raad: vergeet je journalistieke basishouding en gezonde verstand niet. Ik heb van Arjan Dasselaar de paasei-regel geleerd voor wat betreft het doen van onderzoek op internet: één bron is geen bron, twee bronnen is maar een halve bron, en pas als je drie bronnen hebt waarvan je met enige zekerheid kunt vaststellen dat ze onafhankelijk van elkaar opereren, dan pas kun je zeggen dat je het journalistieke voetenwerk achter de rug hebt. Eigenlijk is dat misschien zelfs nog te weinig – want werkelijke onafhankelijkheid is bijna onmogelijk vast te stellen.

Dat geldt des te meer wanneer je voor je verhalen afhankelijk bent van sociale media, zoals nu maar al te vaak gebeurt in de verslaglegging van de gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Controleer de bron, dus de twitter-account die de meest opzienbarende en brekende nieuwtjes weet te brengen.

  • Ga na of hij werkelijk de eerste was door op zijn hashtags te zoeken en in zijn tijdlijn terug te gaan tot de oorsprong.
  • En was hij op dat moment een nieuwe twitteraar, of heeft hij een account die al een tijdje meegaat
  • Past zijn verhaal in een context? Anders gezegd, beweert hij plotseling niet in een achterstandswijk van Tripoli te wonen terwijl hij zich eerder had voorgedaan als bewoner van een villa aan de kust van de Middellandse Zee?
  • Google hem. Probeer uit te vinden wat je nog meer over hem te weten kunt komen. Heeft hij ook accounts op Facebook of andere sociale media? Gebruik daarbij zowel zijn twitternaam als zijn echte naam (als je die kent)
  • Bezoek zijn website
  • Wie zijn z’n volgers? En wie volgt hij?
  • Probeer rechtstreeks contact met hem te leggen via mail of een DM op Twitter. Vraag hem naar zijn omstandigheden.

De belangrijkste les: gebruik je gezond verstand. Het internet is net de echte wereld, vol van mogelijke bedriegers en mensen die zich interessanter willen voordoen dan ze zijn. Maar ook een bron van informatie en, als je weet wat je doet, nieuws – heel soms zelfs wijsheid.

Koude oorlog tussen Google en Facebook warmt op

Net mijn nieuwe column op vk.nl gepubliceerd. Gaat over strijd tussen Google en Facebook. Laatste pikt het beste personeel van Google in, Google antwoordt met loonsverhogingen en bonussen. Eerste weigert nog langer data te delen met Facebook, Facebook klautert om dit obstakel heen.

Leuk!

Maar misschien nog belangrijker: dit weerspiegelt de strijd om de relevantie op het web. Waar gaat het om? Zoeken of sociale netwerken? Zoeken zal naar mijn idee altijd belangrijk blijven, maar raakt wat van zijn dominantie kwijt. Enfin, voor het hele verhaal moet je bij de Volkskrant wezen.

Update 12-11-2010: grappig, Mashable besteedt aandacht aan hetzelfde onderwerp.

Gezocht: gezond alternatief voor Facebook en Google

 

Gezocht: gezond alternatief voor Facebook en Google
Er zit iets fundamenteel fout in ons online gedrag. We brengen een steeds groter deel van onze tijd door op netwerksites als Facebook en Hyves en zonder Google zijn we ernstig onthand. Met alle getwitter en gechat en zucht naar informatie staan we er echter nauwelijks bij stil dat we ons met huid en haar overleveren aan ondernemingen wier enige doel het is om winst te maken. 
Even een paar kleine statistieken. Facebook trekt inmiddels in de VS al meer bezoek dan Google, jarenlang de onbetwiste nummer een.  Het bedrijf heeft wereldwijd inmiddels 400 miljoen ingeschreven gebruikers; het kan daarmee bogen op een groter ‘bevolksingsaantal’ dan alle andere landen op China en India na. Een op de acht stellen in de VS heeft elkaar online, via sociale media, ontmoet.
Internetpubliciste Karin Spaink noemt de sociale media in een recente blogpost ‘een nieuw maatschappelijk middenveld’. Sociale media  spelen een centrale rol in het maatschappelijk debat, omdat ze per definitie worden gevuld door deelnemers aan dat debat. Spaink verhaalt hoe Facebook eind 2008 honderden foto’s verwijderde van vrouwen die borstvoeding gaven. Logisch, vanuit het perspectief van een puur commercieel redenerende onderneming: die wil een zo aantrekkelijk mogelijke omgeving creëren voor adverteerders. Facebook is een Amerikaans bedrijf, en opereert vanuit een samenleving die in een flink aantal opzichten behoorlijk veel preutser is dan wij gewend zijn. Maar zij stelt wel de terechte vraag wat onze grondwettelijke rechten op de vrije meningsuiting waard zijn als ze worden ingeperkt door commerciële overwegingen.
Sommige internetdenkers voeren deze redenering veel verder door. Zij stellen dat we voor onze sociale contacten in veel te hoge mate afhankelijk zijn geworden van moderne internettechnieken. Nicholas Carr schreef in een beroemd geworden artikel in de Atlantic Monthly dat ‘Google dom maakt’ – we kunnen het niet langer opbrengen om ons een uur of langer te concentreren op een tekst. Onze neurale paden worden door een overmatig gebruik van moderne informatietechnologie (het internet) verlegd en ingekort, en we kunnen het niet meer opbrengen om zelfstandig te denken. Die klacht doet een beetje denken aan wat Socrates 2500 jaar geleden al zei: het schrift, zei de oude wijsgeer tegen Phaedros, maakt mensen dom, omdat ze erop gaan vertrouwen en niet langer hun geheugen oefenen.
Natuurlijk zijn we afhankelijk geworden van internet, maar niet in meer of mindere mate dan we afhankelijk zijn van elektriciteit, stromend water en het riool. Zeer dus. Maar op die manier kweekt elke nieuwe technologie die op grote schaal wordt omarmd zijn eigen afhankelijkheid. Dat is het kenmerk van vooruitgang.
Zorgwekkender misschien is een ander type afhankelijkheid, waarover de Universiteit van Maryland in april van dit jaar een onderzoek publiceerde. De onderzoekers vroegen 200 studenten een etmaal lang niet te sms’en, twitteren of anderszins contacten te onderhouden via de sociale media. ‘In hun wereld betekent het leven zonder media feitelijk het leven zonder familie of vrienden’, aldus een van de onderzoekers. De studenten beschreven onthoudingsverschijnselen als angst, onbehagen en nervositeit.
Maar zelfs deze afhankelijkheid kan gerelativeerd worden met de opmerking dat we dezelfde emoties voelen als we geen gas, water en licht meer hebben. Sociale media en de technieken die deze mogelijk maken zijn simpelweg verworvenheden van de moderne tijd. Volgens mij heeft Karin Spaink precies de vinger op de zere plek gelegd. Het werkelijke probleem is dat op internet een paar ondernemingen feitelijk de dienst uitmaken en deze dus te veel macht krijgen. Stel dat Facebook of Google morgen omvallen, of besluiten ineens veel geld te vragen voor hun diensten; zo’n stap zou een enorme psychologische en economische klap zijn voor veel mensen.
En waar internet op andere terreinen een arena van overvloed is, hebben Facebook en Google niet veel te duchten van stevige concurrentie. Ze omspannen de wereld en genieten marktaandelen van tegen de 100 procent. Echte alternatieven zijn er niet. Het is hoog tijd dat die er komen. Feitelijk zijn de diensten die zij aanbieden nutsvoorzieningen geworden. Van oudsher zijn nutsvoorzieningen in handen van de overheid. Tegenwoordig zijn ze, in Nederland ten minste, grotendeels geprivatiseerd. De overheid zorgt dan wel, via de Nationale Mededingingsautoriteit NMA, voor een voldoende open markt waarin concurrentie een kans krijgt.
We hoeven voor de oplossing van ons afhankelijkheidsprobleem niet direct naar de overheid te kijken. Ik zie meer in open source. Zoals het besturingssysteem Linux inmiddels een behoorlijke doorn in de zij van Microsoft is, moet het vanuit de open-source gemeenschap toch ook mogelijk zijn om Google en Facebook-alternatieven op te zetten? Al is het maar uit een oogpunt van geestelijke volksgezondheid.

Er zit iets fundamenteel fout in ons online gedrag. We brengen een steeds groter deel van onze tijd door op netwerksites als Facebook en Hyves en zonder Google zijn we ernstig onthand. Met alle getwitter en gechat en zucht naar informatie staan we er echter nauwelijks bij stil dat we ons met huid en haar overleveren aan ondernemingen wier enige doel het is om winst te maken. 

Even een paar kleine statistieken. Facebook trekt inmiddels in de VS al meer bezoek dan Google, jarenlang de onbetwiste nummer een.  Het bedrijf heeft wereldwijd inmiddels 400 miljoen ingeschreven gebruikers; het kan daarmee bogen op een groter ‘bevolksingsaantal’ dan alle andere landen op China en India na. Een op de acht stellen in de VS heeft elkaar online, via sociale media, ontmoet.

Internetpubliciste Karin Spaink noemt de sociale media in een recente blogpost ‘een nieuw maatschappelijk middenveld’. Sociale media  spelen een centrale rol in het maatschappelijk debat, omdat ze per definitie worden gevuld door deelnemers aan dat debat. Spaink verhaalt hoe Facebook eind 2008 honderden foto’s verwijderde van vrouwen die borstvoeding gaven. Logisch, vanuit het perspectief van een puur commercieel redenerende onderneming: die wil een zo aantrekkelijk mogelijke omgeving creëren voor adverteerders. Facebook is een Amerikaans bedrijf, en opereert vanuit een samenleving die in een flink aantal opzichten behoorlijk veel preutser is dan wij gewend zijn. Maar zij stelt wel de terechte vraag wat onze grondwettelijke rechten op de vrije meningsuiting waard zijn als ze worden ingeperkt door commerciële overwegingen.

Sommige internetdenkers voeren deze redenering veel verder door. Zij stellen dat we voor onze sociale contacten in veel te hoge mate afhankelijk zijn geworden van moderne internettechnieken. Nicholas Carr schreef in een beroemd geworden artikel in de Atlantic Monthly dat ‘Google dom maakt’ – we kunnen het niet langer opbrengen om ons een uur of langer te concentreren op een tekst. Onze neurale paden worden door een overmatig gebruik van moderne informatietechnologie (het internet) verlegd en ingekort, en we kunnen het niet meer opbrengen om zelfstandig te denken. Die klacht doet een beetje denken aan wat Socrates 2500 jaar geleden al zei: het schrift, zei de oude wijsgeer tegen Phaedros, maakt mensen dom, omdat ze erop gaan vertrouwen en niet langer hun geheugen oefenen.

Natuurlijk zijn we afhankelijk geworden van internet, maar niet in meer of mindere mate dan we afhankelijk zijn van elektriciteit, stromend water en het riool. Zeer dus. Maar op die manier kweekt elke nieuwe technologie die op grote schaal wordt omarmd zijn eigen afhankelijkheid. Dat is het kenmerk van vooruitgang.

Zorgwekkender misschien is een ander type afhankelijkheid, waarover de Universiteit van Maryland in april van dit jaar een onderzoek publiceerde. De onderzoekers vroegen 200 studenten een etmaal lang niet te sms’en, twitteren of anderszins contacten te onderhouden via de sociale media. ‘In hun wereld betekent het leven zonder media feitelijk het leven zonder familie of vrienden’, aldus een van de onderzoekers. De studenten beschreven onthoudingsverschijnselen als angst, onbehagen en nervositeit.

Maar zelfs deze afhankelijkheid kan gerelativeerd worden met de opmerking dat we dezelfde emoties voelen als we geen gas, water en licht meer hebben. Sociale media en de technieken die deze mogelijk maken zijn simpelweg verworvenheden van de moderne tijd. Volgens mij heeft Karin Spaink precies de vinger op de zere plek gelegd. Het werkelijke probleem is dat op internet een paar ondernemingen feitelijk de dienst uitmaken en deze dus te veel macht krijgen. Stel dat Facebook of Google morgen omvallen, of besluiten ineens veel geld te vragen voor hun diensten; zo’n stap zou een enorme psychologische en economische klap zijn voor veel mensen.

En waar internet op andere terreinen een arena van overvloed is, hebben Facebook en Google niet veel te duchten van stevige concurrentie. Ze omspannen de wereld en genieten marktaandelen van tegen de 100 procent. Echte alternatieven zijn er niet. Het is hoog tijd dat die er komen. Feitelijk zijn de diensten die zij aanbieden nutsvoorzieningen geworden. Van oudsher zijn nutsvoorzieningen in handen van de overheid. Tegenwoordig zijn ze, in Nederland ten minste, grotendeels geprivatiseerd. De overheid zorgt dan wel, via de Nationale Mededingingsautoriteit NMA, voor een voldoende open markt waarin concurrentie een kans krijgt.

We hoeven voor de oplossing van ons afhankelijkheidsprobleem niet direct naar de overheid te kijken. Ik zie meer in open source. Zoals het besturingssysteem Linux inmiddels een behoorlijke doorn in de zij van Microsoft is, moet het vanuit de open-source gemeenschap toch ook mogelijk zijn om Google en Facebook-alternatieven op te zetten? Al is het maar uit een oogpunt van geestelijke volksgezondheid.

 

Vrome boosheid over Facebook en Google

 

Stel je voor: vanaf morgen kun je niet meer pinnen wegens ontoereikend saldo. Hoe kan dat? Je hebt net je salaris overgemaakt gekregen. Je belt met de bank, die je laconiek meedeelt dat je rekening helaas over de kredietlimiet is heengegaan. Je wilt aangifte doen van diefstal bij de politie, maar daarvoor moet je je legitimeren. Je wordt opgepakt, omdat je plotseling een strafblad van hier tot Tokio blijkt te hebben. Maar je hebt nog nooit een vlieg kwaad gedaan! Terwijl je in de cel overdenkt hoe het zover heeft kunnen komen, bereikt je het bericht van de executeur dat hij je huis in opdracht van de bank heeft verkocht.
Dit is in een notendop de plot van  de  klassieker The Net, die woensdagavond weer eens op de televisie te zien was. De film stamt uit 1995, maar speelt heel modern in op de angst van de moderne mens voor het verlies van zijn privacy, sterker nog, zijn identiteit. Het thema is actueel: we geven steeds meer van onszelf weg op allerlei sociale-netwerksites zoals Facebook, Hyves en LinkedIn. We hebben er geen probleem mee dat we ons cv aan iedereen ter inzage geven, we twitteren dat we nu eindelijk zijn vertrokken op die lang verdiende vakantie, en op de autostrada tussen Bologna en Florence laten we het thuisfront via Hyves en Flickr meegenieten van het uitzicht.
Dat al die informatie in verkeerde handen terecht kan komen, interesseert ons blijkbaar geen biet. Of toch wel? Facebook heeft de afgelopen weken zwaar onder vuur gelegen omdat het bedrijf ongevraagd vertrouwelijke gegevens openbaar maakte van de deelnemers. Google moest door het stof omdat het bij het maken van foto’s ten behoeve van zijn Streetview-dienst ook de onbeveiligde netwerkgegevens van alle woningen die het passeerde opsloeg.
De vraag is waar we ons nou eigenlijk precies boos om maken. Kennelijk heeft dat alles te maken met het gevoel van controle. Zodra je zelf blogt, twittert, foto’s en video’s publiceert, kan alles. Je hebt de keus om al dan niet te publiceren. Waar we boos over worden is het verlies van zeggenschap; als de instelling waar wij onze data aan toevertrouwen (of dat nou Google is of Facebook) daar al dan niet bewust onzorgvuldig mee omspringt.
Onze samenleving wordt steeds transparanter, niet alleen online, ook offline. Op elke straathoek hangen camera’s. Bedrijven monitoren het emailverkeer en het surfgedrag van hun werknemers, scholen doen hetzelfde met hun leerlingen. Onze telefoonleveranciers weten hoe lang we bellen, en met wie. Ze zijn zelfs verplicht om die gegevens enige tijd te bewaren en zo nodig aan de autoriteiten ter beschikking te stellen. Als we digitale televisie hebben, weet de kabelboer welke zender we kijken. Dat laten we toe, en niet alleen omdat het opgeven van onze privacy helpt om misdaad en terrorisme te bestrijden. We laten het ook toe omdat het ons economisch voordeel kan bieden: we geven met plezier onze privégegevens prijs als ons dat een extraatje oplevert, al is het maar een minimale kans op het winnen van een Suzuki.
De woede over het gedrag van Facebook en Google doet dan ook vroom en schijnheilig aan. Een mooie anekdote ter illustratie: Facebook biedt webmasters een ok-knopje aan dat ze op hun eigen site onder hun artikelen kunnen plaatsen. Met een klik geven bezoekers zo te kennen dat het artikel goed vinden en laten dat meteen al hun Facebook-contacten weten. Kijk wat er gebeurde toen ReadWriteWeb, een grote site voor web-enthousiasten, een artikel publiceerde waarin melding werd gemaakt van de trend dat veel mensen hun Facebook wilden opzeggen. Het Facebook-ok-knopje werd bijkans stukgeklikt.
Web 2.0 goeroe Tim O’Reilly, die op deze contradictie wees, zegt dat het de taak is van web-uitvinders als Facebook en Google om af en toe fouten te maken. Deze bedrijven zijn opgericht om diensten te ontwikkelen waarvan de gebruikers in eerste instantie niet eens wisten dat ze die nodig hadden, maar die vervolgens wel razend populair blijken te zijn. Soms gaan ze te ver, dan worden ze teruggefloten. Dit proces hoort bij innovatie en is verre te verkiezen boven de heimelijke afluisterpraktijken van sommige overheden.
O’Reilly gaat wat ver, naar mijn  mening; maar het is wel evident dat we nog lang niet genoeg hebben nagedacht over de grenzen van onze privacy in deze brave new world van het internet. En ergens vind ik dat toch veel belangrijker dan de vraag of een enkele hacker erin slaagt om in te breken in de stemcomputers die bij verkiezingen wordt gebruikt. Iedereen mag weten wat ik stem. Maar mijn bel-, kijk- en klikgedrag houd ik eigenlijk liever geheim.

Stel je voor: vanaf morgen kun je niet meer pinnen wegens ontoereikend saldo. Hoe kan dat? Je hebt net je salaris overgemaakt gekregen. Je belt met de bank, die je laconiek meedeelt dat je rekening helaas over de kredietlimiet is heengegaan. Je wilt aangifte doen van diefstal bij de politie, maar daarvoor moet je je legitimeren. Je wordt opgepakt, omdat je plotseling een strafblad van hier tot Tokio blijkt te hebben. Maar je hebt nog nooit een vlieg kwaad gedaan! Terwijl je in de cel overdenkt hoe het zover heeft kunnen komen, bereikt je het bericht van de executeur dat hij je huis in opdracht van de bank heeft verkocht.

Dit is in een notendop de plot van  de  klassieker The Net, die woensdagavond weer eens op de televisie te zien was. De film stamt uit 1995, maar speelt heel modern in op de angst van de moderne mens voor het verlies van zijn privacy, sterker nog, zijn identiteit. Het thema is actueel: we geven steeds meer van onszelf weg op allerlei sociale-netwerksites zoals Facebook, Hyves en LinkedIn. We hebben er geen probleem mee dat we ons cv aan iedereen ter inzage geven, we twitteren dat we nu eindelijk zijn vertrokken op die lang verdiende vakantie, en op de autostrada tussen Bologna en Florence laten we het thuisfront via Hyves en Flickr meegenieten van het uitzicht.

Dat al die informatie in verkeerde handen terecht kan komen, interesseert ons blijkbaar geen biet. Of toch wel? Facebook heeft de afgelopen weken zwaar onder vuur gelegen omdat het bedrijf ongevraagd vertrouwelijke gegevens openbaar maakte van de deelnemers. Google moest door het stof omdat het bij het maken van foto’s ten behoeve van zijn Streetview-dienst ook de onbeveiligde netwerkgegevens van alle woningen die het passeerde opsloeg.

De vraag is waar we ons nou eigenlijk precies boos om maken. Kennelijk heeft dat alles te maken met het gevoel van controle. Zodra je zelf blogt, twittert, foto’s en video’s publiceert, kan alles. Je hebt de keus om al dan niet te publiceren. Waar we boos over worden is het verlies van zeggenschap; als de instelling waar wij onze data aan toevertrouwen (of dat nou Google is of Facebook) daar al dan niet bewust onzorgvuldig mee omspringt.

Onze samenleving wordt steeds transparanter, niet alleen online, ook offline. Op elke straathoek hangen camera’s. Bedrijven monitoren het emailverkeer en het surfgedrag van hun werknemers, scholen doen hetzelfde met hun leerlingen. Onze telefoonleveranciers weten hoe lang we bellen, en met wie. Ze zijn zelfs verplicht om die gegevens enige tijd te bewaren en zo nodig aan de autoriteiten ter beschikking te stellen. Als we digitale televisie hebben, weet de kabelboer welke zender we kijken. Dat laten we toe, en niet alleen omdat het opgeven van onze privacy helpt om misdaad en terrorisme te bestrijden. We laten het ook toe omdat het ons economisch voordeel kan bieden: we geven met plezier onze privégegevens prijs als ons dat een extraatje oplevert, al is het maar een minimale kans op het winnen van een Suzuki.

De woede over het gedrag van Facebook en Google doet dan ook vroom en schijnheilig aan. Een mooie anekdote ter illustratie: Facebook biedt webmasters een ok-knopje aan dat ze op hun eigen site onder hun artikelen kunnen plaatsen. Met een klik geven bezoekers zo te kennen dat het artikel goed vinden en laten dat meteen al hun Facebook-contacten weten. Kijk wat er gebeurde toen ReadWriteWeb, een grote site voor web-enthousiasten, een artikel publiceerde waarin melding werd gemaakt van de trend dat veel mensen hun Facebook wilden opzeggen. Het Facebook-ok-knopje werd bijkans stukgeklikt.

Web 2.0 goeroe Tim O’Reilly, die op deze contradictie wees, zegt dat het de taak is van web-uitvinders als Facebook en Google om af en toe fouten te maken. Deze bedrijven zijn opgericht om diensten te ontwikkelen waarvan de gebruikers in eerste instantie niet eens wisten dat ze die nodig hadden, maar die vervolgens wel razend populair blijken te zijn. Soms gaan ze te ver, dan worden ze teruggefloten. Dit proces hoort bij innovatie en is verre te verkiezen boven de heimelijke afluisterpraktijken van sommige overheden.

O’Reilly gaat wat ver, naar mijn  mening; maar het is wel evident dat we nog lang niet genoeg hebben nagedacht over de grenzen van onze privacy in deze brave new world van het internet. En ergens vind ik dat toch veel belangrijker dan de vraag of een enkele hacker erin slaagt om in te breken in de stemcomputers die bij verkiezingen wordt gebruikt. Iedereen mag weten wat ik stem. Maar mijn bel-, kijk- en klikgedrag houd ik eigenlijk liever geheim.