Gedachten op een bierviltje: schaf de papieren krant af

Laten we eens gek doen en de papieren krant afschaffen. Op de achterkant van een bierviltje rekenen we uit hoe dat uitkan. Eerst maken we de rekensom die bij de productie van de traditionele krant hoort.

Het maken van zo'n krant met een redactie van 200 man en een oplage van 300 duizend stuks per jaar kost ongeveer 120 miljoen euro. De helft daarvan gaat op aan druk en distributie. De andere helft is voor:

  • de redactie: plusminus 25 miljoen
  • marketing en verkoop: nog eens 25 miljoen
  • administratie, overhead: 10 miljoen.

Dan de opbrengsten: in goede tijden brengen abonnees en losse lezers ongeveer de helft van de totale inkomsten binnen. De andere helft komt uit advertenties. De stabiele factor in deze opbrengstencalculatie waren altijd de lezers. Deze inkomsten bleken min of meer ongevoelig voor economisch zwaar weer. De krant werd toch wel gelezen; zelfs als de crisis heel lang duurde, namens de lezersinkomsten nauwelijks af. Dit in tegenstelling tot  de adverteerders: advertentie-inkomsten fluctueren met de conjunctuur. Ging het economisch slecht, dan zakte de marge van de krant van 20 naar 15 procent omdat de adverteerders het lieten afweten; maar de lezers zorgden ervoor dat de uitgever aan het eind van het jaar toch nog een behoorlijke winst kon noteren. In slechte tijden lag de inkomstenverhouding lezers/adverteerders op 60-40.

Deze verhoudingen zijn de afgelopen tien jaren wel veranderd. Omdat de uitgevers niet investeerden in de online ontwikkeling van rubrieksadvertenties, banenadvertenties, relatie-advertenties gingen deze markten verloren. Dit tot groot genoegen van respectievelijk Marktplaats, Monsterboard en Relatieplanet. Op dit moment brengen de lezers wel 70 tot 80 procent van de totale inkomsten binnen. Sla de papieren krant maar open; er wordt niet veel meer geadverteerd.

Stel nu dat de krant zou zeggen: die papieren distributie: die doen we niet meer. We beperken ons tot digitale verspreiding. In plaats van 120 miljoen aan kosten, hoeven we nu nog maar de helft uit te geven. Dat is conservatief geschat, want in werkelijkheid zal de bezuiniging  nog wat groter zijn. Een deel van overhead en marketing zit hem in de zorg voor het bewerkelijke papier.

De keuze wordt radicaal gemaakt voor digitaal. Er is 60 miljoen te besteden. Kan dat uit?

ICT-kosten gaan omhoog, zowel structureel (meer en zwaardere servers, meer onderhoud van software, productontwikkeling en dergelijke), als ook eenmalig bij de aanvang van de operatie. Er moeten extra marketingkosten worden gemaakt om de transitie goed te begeleiden. Je zult lezers kwijtraken die het papier niet willen missen. Overgebleven lezers betalen een lagere prijs voor het digitale product dan voor het papier. En de advertentie-inkomsten duiken omlaag – digitale advertenties leveren minder op dan die van papier.

Eenmalige (transitie-)kosten worden in totaal begroot op 30 miljoen euro. Permanente omzetderving door weglopende lezers en adverteerders wordt in het eerste jaar begroot op nog eens 30 miljoen euro. (ik zei het al, bierviltjeswerk). Overigens, lezers die per se op papier willen blijven lezen, kun je nog een printing on demand product aanbieden.

Als die aannames kloppen, zou de operatie in het eerste jaar budgetneutraal kunnen worden uitgevoerd. Vanaf jaar twee wordt er jaarlijks structureel dertig miljoen minder uitgegeven. Wat staat daartegenover aan economische voordelen:

  • structureel flexibeler kostenstructuur: een nieuwe pers is een veel zwaardere balanspost dan een nieuwe server
  • flexibeler verdienmodel: je kunt je content op veel meer verschillende manieren te koop aanbieden dan wanneer je vooral een papieren product hebt
  • flexibeler productenaanbod: je kunt rondom je content tegen lagere kosten nieuwe producten lanceren, of experimenteren met nieuwe markten
  • virale marketing van je product: je maakt gebruik van het feit dat digitale content gemakkelijker te verspreiden is door je lezers reclame voor je te laten maken (sociale media e.d.)
  • centrale aanwezigheid op het terrein waar het meest wordt geïnnoveerd: in digitale uitgeverijen wordt veel meer geïnnoveerd – van andermans innovaties kun je gemakkelijker profiteren
  • noodzaak tot journalistieke vernieuwing: nieuwe  platforms nopen tot nieuwe vormen van het digitaal vertellen van verhalen: datajournalistiek, multimedialiteit etc.

Een redactie van tweehonderd man kan bovendien nog veel meer:

  • eens per week een duurbetaald papieren magazine maken
  • hun extra kennis en wetenschap, die ze niet in hun primaire journalistieke product kwijt kunnen, te gelde maken via consultancy
  • bijzondere projecten via crowdsourcing laten financieren

Enfin, je begrijpt: ik zou zo'n uitgeverij wel willen beginnen. Wie doet mee?

 

 

We doen te overspannen over onze privacy

Woensdagavond de slotacte gehad van een project dat ik voor een ICT-bedrijf uitvoerde. Ik schreef een advies over hun communicatiebeleid en presenteerde dat aan directie en personeel. In de discussie die zich na mijn presentatie ontspon, vertelde iemand hoe hij het gevoel had dat mensen zich op LinkedIn en andere sociale media anders, beter, voordoen dan ze in werkelijkheid zijn. Hij stelde de vraag hoe we zeker kunnen weten dat mensen zijn zoals ze zich online voordoen.

Nu is dat natuurlijk een heel oude discussie, die zich niet beperkt tot de online wereld. Ook in het offline ('echte') leven dragen we vaak maskers. Nul procent van de mensen is honderd procent van de tijd honderd procent zichzelf. Online wordt dat soms ver doorgevoerd, dat klopt. Sommige mensen weten een complete scheiding aan te brengen tussen hun online persona en hun offline werkelijkheid; dat is het beeld van de bepuiste nerd die op zijn zolderkamertje voor het beeldscherm zit en online pretendeert een stoere hunk of een knappe meid te zijn.

Toch zou ik willen beweren dat dat uitwassen zijn. Wat veel vaker voorkomt, naar mijn gevoel: dat mensen online proberen om 'zichzelf plus' te zijn. Ze blijven trouw aan hun wezenlijke persoonlijkheid, maar misschien gefilterd van wat nare trekjes. Natuurlijk heb ik het dan niet over de trollen die je her en der tegenkomt, maar over het overgrote deel van de mensen dat je op sociale netwerken als Facebook en LinkedIn ziet. Een klein voorbeeldje: ik ben een fanatiek gebruiker van de online muziekdienst Spotify; maar toen ik erachter kwam, een paar maanden geleden, dat Spotify mijn muziekkeuzes voortaan doorzette naar Facebook, moest ik wel even slikken. Niet dat ik me hoef te schamen: veel klassiek, wat Johnny Cash of Nina Simone, blues en classic rock – maar af en toe luister ik naar muziek die ik niet vind passen bij het beeld dat ik naar de buitenwereld wil projecteren (en die ik hier dus niet ga noemen… šŸ˜‰

Zo'n blog als dit geeft mijn standpunten en meningen weer – maar uiteraard denk ik na over mijn formuleringen en zit er tijd en aandacht in vormgeving en onderwerpkeuze. Het is mijn blog, maar het is ook een projectie van mijn persoonlijkheid – als traditioneel journalist heeft het me tijd gekost voordat ik daaraan gewend was. Natuurlijk, iedereen die in de publiciteit treedt heeft met dat fenomeen te maken. Het verschil is echter: een politicus zit er niet alleen namens zichzelf, maar ook namens zijn partij; toen ik nog bij de Volkskrant werkte, publiceerde ik onder de vlag van de krant.

Die smoes kan ik nu niet meer gebruiken. Het is inherent aan bloggen: u vindt me hier, en ik vertel u veel – op een manier waaruit meer van mijn persoonlijke leven doorkomt dan ik gewend was als Volkskrant-journalist te doen. Maar ik vertel ook niet alles – ik houd dingen achter, waarvan ik vind dat ze privé zijn, of waarvoor ik me eigenlijk een beetje schaam om ze in de openbaarheid te hebben.

Toch durf ik te zeggen dat mijn online persoonlijkheid een verlengstuk is van mijn echte leven. What you see is what you get – voor het grootste deel. Als u dit blog met enige regelmaat leest, leert u mij kennen – mijn online reputatie wordt hier, en op LinkedIn, en op Google, en op al die andere plekken waar ik online sporen achterlaat, gemaakt en gebroken. Het is lastig om daarin echte leugens lange tijd vol te houden. Het kost veel meer moeite om te liegen dan om de waarheid te vertellen. Je verbruikt minder energie als je dicht bij jezelf blijft.

Bij de discussie woensdagavond moest ik denken aan het meest recente boek van Jeff Jarvis, Public Parts. Dat gaat over het publieke domein en de plaats van privacy daarbinnen. Actueel, omdat veel mensen zich zorgen maken over de bescherming van hun persoonsgegevens, de politiek zich die zorgen ter harte neemt, en bedrijven als Facebook en Google dwingt tot soms vergaande maatregelen. Jarvis beweert (onder veel meer) dat privacy niet alleen overschat wordt, maar ook dat een te veel aan privacy daadwerkelijk schade toebrengt aan onze samenleving. Die is gebaat bij openheid en dialoog – hoe meer we van elkaar weten, hoe toleranter we zullen worden, hoe sneller we van elkaar leren, en hoe meer we ons gaan emanciperen.

Het voorbeeld dat hij aanhaalt: de gevolgen van zijn prostaatkanker. Incontinentie, impotentie – geen detail bleef de lezer van zijn blog bespaard. In het boek verhaalt hij hoe verfrissend hij het vond om zonder geheimen te leven – om van zijn private parts (genitalia dus) public parts  te maken. En hij vertelt over de reacties die hij kreeg, van mannen die met dezelfde problemen kampten en blij waren dat ze nu, door zijn openheid, bespreekbaar waren geworden.

Dat gaat me te ver. Vooral eigenlijk omdat Jarvis in zijn boek met geen woord rept over zijn naasten. Hoe vonden zijn kinderen het om deze details over hun vader te lezen? Too much information! En zijn vrouw – vond die het prettig dat de hele wereld nu wist dat ze het bed deelde met een impotente man?

En dat is het punt. Ik leid een sociaal leven. De besluiten die ik neem over wat ik wil delen en wat niet, gaan niet alleen mij aan, maar ook mijn directe omgeving. Ik vind de premissen van Jarvis prikkelend: misschien doen we inderdaad te overspannen over onze privacy. Maar totale openheid als standaard? Liever niet.

 

Journalistiek bloggen is een journalistieke plicht

't Is alweer bijna zeven jaar geleden dat we bij de Volkskrant begonnen met bloggen. Eigenlijk, moet je achteraf vaststellen, zonder dat  we een goed benul hadden wat we ermee aan moesten. Nou is dat op zich niet erg. Ook Google kwam er pas na een paar jaar achter hoe ze geld moesten gaan verdienen met die prachtige zoekmachine die ze gebouwd hadden. Wij hadden simpelweg het idee dat we nieuwe communicatiekanalen moesten bouwen. Die kanalen moesten de gesprekken tussen de redactie en onze lezers op gang brengen.

Experimenteren en innoveren horen bij het internet als wielen bij een fiets. Bijna alle succesvolle internetbedrijven zijn nieuwe bedrijven – ze hadden geen last van de remmende voorsprong van de gesettelde organisatie, waar gevestigde belangen zich vooral verzetten tegen vernieuwing. Met het Volkskrantblog probeerden we het onmogelijke: bij het ultraconservatieve PcM-bedrijf toch iets van digitale innovatie  te creëren.

Nou, wat er met die journalistieke en zakelijke ambities is gebeurd, is inmiddels wel duidelijk. Vorig jaar beïndigde de Volkskrant zijn lezersblog, en stuurde de enkele tienduizenden deelnemers het bos in (c.q. naar web-log.nl, waar ze een paar maanden na aankomst getroffen werden door een storing die zo ongeveer een half jaar heeft geduurd).

Enfin, over het Volkskrantblog heb ik al genoeg geschreven (laatst hier en hier). Een aspect waaraan we, vind ik zelf, te weinig aandacht hebben besteed: de journalistieke invulling van onze blogs. Sporadisch zijn collega-redacteuren wel begonnen met het bijhouden van een blog, maar het was incidenteel. Er was nauwelijks begeleiding, en eigenlijk deed iedereen maar wat. Dat heeft natuurlijk ook zijn charme, want het zorgt voor authenticiteit en diversiteit; maar tegelijkertijd werd het een zootje waarin bezoekers hun weg niet konden vinden en de collega's eigenlijk ook vooral verloren rondliepen. Een enkeling slaagde erin een succes te maken van zijn blog: Gijsbert Kamer heeft de juiste instelling en weet hoe je een blog journalistiek moet gebruiken. Maar hij is de uitzondering.

Ik kom erop omdat ik woensdag een paar colleges geef aan studenten journalistiek over het onderwerp 'journalistiek bloggen' en ik het ga hebben over de manier waarop journalisten blogs kunnen inzetten om dichter bij hun lezers te komen. In het onvolprezen journalistieke blog Mondaynote  geeft Frederic Filloux een paar tips.

In het algemeen is het grote verschil tussen het bijhouden van het blog en het verrichten van reguliere journalistieke arbeid natuurlijk vooral het verschil in format. Waar je als journalist gebakken zit aan vaste afspraken over stijl, lengte, compositie en andere journalistieke do's en don'ts, heb je daar bij een weblog veel minder mee te maken. Sterker, als je daarop dezelfde normen zou toepassen, krijg je een saai en slecht blog.

De beste blogs vind ik die weblogs waarin de auteur zijn expertise deelt met zijn bezoekers, en dat op een onderhoudende en vooral persoonlijke manier doet. Een journalistiek blog is niet anders. De journalist die wil bloggen, heeft feitelijk twee keuzes: hij kan schrijven over zijn vak (waardoor hij een metajournalistiek blog bijhoudt), of hij kan stukjes tikken over zijn specialisme. Bij die laatste benadering krijgt de lezer extra informatie die niet past in het format van krant of televisieprogramma. Dat is de manier van Gijsbert Kamer. Een voorbeeld van de eerste benadering wordt gegeven door Peter Vermeersch, hoofdredacteur van NRC.

Welke benadering je ook kiest, de argumenten voor een journalistiek blog zijn zo gewichtig dat ik het onbegrijpelijk vind dat in Nederland niet veel meer journalisten ertoe zijn overgegaan ook buiten de krant of hun werk voor de omroep te schrijven over hun vakgebied.

  • Je bouwt een nauwere band op met je publiek, wat op zijn beurt leidt tot een grotere geloofwaardigheid en autoriteit
  • Je krijgt de kans om je te onttrekken aan de nauwe formats die door pagina-opmaak en programmaduur worden ingegeven
  • Je krijgt de kans om een veel persoonlijker profiel op te bouwen dan binnen je eigen publicatie mogelijk is
  • Journalisten worden geacht zich steeds meer ondernemend op te stellen; beschouw je blog als je eerste echte en persoonlijke marketinginstrument
  • Je kunt veel extra informatie over je vakgebied kwijt, waardoor je je publiek beter kunt bedienen
  • Je begeeft je in de maatschappelijke discussie – je begrijpt dat journalistiek geen eenrichtingsverkeer is, maar steeds meer een gesprek is geworden

Ik weet het bijna zeker: het Volkskrantblog was succesvoller geworden als we deze argumenten zeven jaar geleden veel overtuigender aan onze eigen collega's hadden voorgelegd.

Oh, die hypocrisie over Apple

Trouwe lezers van dit blog weten dat ik geen groot fan ben van Apple. Ik vind het bedrijf een bedreiging voor het vrije internet, met zijn prachtige maar gesloten systemen en zijn neiging om volledige controle te willen uitoefenen op datgene wat gebruikers doen, zien en lezen met en op hun iPads, iPhones en MacBooks. Maar het huidige gedoe over de productieomstandigheden waaronder werknemers van Apple's toeleveranciers moeten werken, vooral in China, vind ik hypocriet.

Ik ben inmiddels een trouwe gebruiker van Samsung, maar ik geloof niet dat deze Koreaanse maker van mobieltjes er een socialer beleid voert dan Apple. Mijn laptop is een Asus, en maken de Taiwanezen geen gebruik van goedkope arbeid? Shoppen zij niet in de buurlanden om te zien waar ze het meest uit hun personeel kunnen trekken?

Ik geloof er niets van dat Samsung, Asus of welke gadgetmaker dan ook een socialer beleid voert dan Apple.

Wat mij betreft moet de kritiek op Apple breder worden getrokken. Ik vind dat wij als consumenten bereid moeten zijn om tien of vijftien procent meer te betalen voor onze mooie gadgets. En dat we dan met recht mogen eisen dat zij schone producten afleveren. In termen van rechtvaardighed en in termen van milieu.

E-books en de kunst van het lezen

Heb net een prachtig nieuw boek uit van David Weinberger, filosoof, verbonden aan de Harvard Universiteit. U kent hem misschien van Everything is Miscellaneous, het werk waarmee hij bij het grote publiek faam verwierf, maar ook vanwege The Cluetrain Manifesto. In dit manifest, dat al ruim tien jaar oud is, worden 95 stellingen gepresenteerd over de manier waarop het internet de verhoudingen tussen bedrijven en consumenten beïnvloedt. Weinberger is één van de visionairs van het internet. In Everything is Miscellaneous analyseert hij de manier waarop we informatie in categorieën plegen onder te brengen. Het is ons vertrouwd om van een boek te zeggen dat het handelt over biologie, over managementtheorieën, of dat het science-fiction roman is of een novelle over een schaakspeler. We categoriseren informatie om deze sneller te kunnen verwerken. Categorisering helpt ons om keuzes te maken. En in de fysieke wereld hebben we ook geen keuze: de bibliothecaris weet als geen ander dat een boek maar op een plank tegelijk kan staan. Iets is een kunstboek of niet – plaats ik dit fotoboek over de architectuur van Rietveld nu bij de andere fotoboeken of bij de plank over De Stijl?

De digitalisering gooit onze zorgvuldig opgebouwde categorieën overhoop. Want ineens is een stuk informatie van alles tegelijk: met sleutelwoorden taggen we onze foto's. Deze tags vertellen me dat de foto is gemaakt in Sevilla, dat mijn vrouw erop staat, alsmede de tuinen van het Alcazar, en de datum waarop die foto is gemaakt. Met behulp van wat handige software en die steekwoorden kan ik alle foto's van die datum, alle foto's van Sevilla, alle foto's waarop mijn vrouw staat, en alle foto's van het Alcazar terugvinden. Ik hoef niet meer te kiezen.

In zijn nieuwste werk, Too Big to Know, hanteert Weinberger een soortgelijk uitgangspunt. Hij analyseert hoe wij kennis vergaren en verbreiden. Tot voor een decennium of zo waren de traditionele kennisdragers lineair van aard: een boek heeft een vastgestelde omvang, dat mede door de uitgever wordt bepaald. Binnen deze vooraf bepaalde omvang moet een idee, of een samenhangend comlex van ideeën, worden uiteengezet. Het is echter helemaal niet gezegd dat dit complex van ideeën precies deze omvang nodig heeft. Onze kennis wordt bepaald, liever gezegd, beperkt, doordat we afhankelijk waren van tastbare, fysieke kennisdragers. Zij bepaalden hoe, in welke vorm, en op welke manier, een nieuw idee met de wereld werd gedeeld.

Dit is natuurlijk een fantastische quote:

To think that knowledge itself is shaped like books is to marvel that a rock fits so well in its hole in the ground.

De digitalisering heeft op de kennisvergaring en kennisoverdracht een minstens zo groot effect gehad als op onze neiging om alle kennis in categorieën onder te verdelen. Want kennisoverdracht is fluïde geworden. We halen onze kennis uit meer verschillende bronnen, die elk net zo veel ruimte nemen als nodig is om een idee uiteen te zetten – niet meer en niet minder. De voorlopigheid van kennis (wat een wezenskenmerk is van wetenschap: alle kennis die we menen te hebben is voorlopig, totdat het tegendeel bewezen is) komt tot uiting in de voorlopigheid van de gegevensdrager: het e-book, of een website, of een blogpost bijvoorbeeld. Daarmee komt een veel nauwere overeenkomst tot stand tussen het wezen van kennis enerzijds, en de wijze van kennisoverdracht anderzijds. We komen veel meer in de buurt van wat kennis eigenlijk is, in de werkelijke wereld: iets efemeers, iets voorlopigs, iets wat vloeibaar is.

Postmodern, zegt u? Zeker. Weinberger zelf geeft de voorkeur aan het begrip wetenschappelijk.

Weinberger is optimistisch gestemd over de mogelijkheden van het internet om onze kennisvergaring exponentieel te versnellen. Dat komt omdat internet een netwerk is, en het netwerk slimmer is dan de slimste mens in de kamer. Hij gelooft er niets van dat het internet ons dommer maakt, zoals bijvoorbeeld Nicholas Carr beweert. Er moet wel aan een paar voorwaarden worden voldaan: het internet moet open blijven, transparant, er moet worden gelinkt, hoe meer hoe beter, en de kennis die we vergaard hebben in onze instellingen van wetenschap en onderwijs moet worden overgezet naar het internet. 

En met die voorwaarden bewijst filosoof Weinberger ook nog eens verrassend actueel te kunnen zijn.

Technologische vernieuwing en maatschappelijke verandering

Weinig tijd deze week; vandaag ben ik de hele dag bezig met het geven van een training; de rest van de week zit ik in het buitenland en kan ik al helemaal niet meer schrijven. Mijn volgende blogpost komt dus pas maandag de 13e. Excuus daarvoor!

Wil eigenlijk alleen even de gelegenheid aangrijpen om je te attenderen op de site van Kevin Kelly – de oud-hoofdredacteur van Wired Magazine, met zijn boek 'Out of Control' een van de inspiratoren van de film-trilogie The Matrix. Hij is een van die mensen die me helpen om de wisselwerking tussen technologische vernieuwing en maatschappelijke verandering te begrijpen. Hij schreef een paar jaar geleden 'What Technology Wants'. Daarin vergelijkt hij de evolutionaire processen in de biologie met die in een hoog-technologische omgeving; zijn centrale stelling is dat technologie een leven op en van zichzelf heeft, een autonomie die ertoe leidt dat technologie, onafhankelijk van menselijke inspanning, tot nieuwe technologie leidt.

Zeer de moeite van het lezen waard. Volgende week meer over Kevin Kelly, over e-books en over techniek.

Beursgang Facebook is winst van de hackerscultuur

Het nieuws van de week is natuurlijk de beursgang van Facebook. Het zat er al lang aan te komen, maar als het dan ook werkelijk gebeurt, kabbelt er toch een klein golfje van opwinding over het internet. Niet zozeer vanwege het nieuws zelf, als wel omwille van de implicaties: ook in dit gure economische klimaat zijn er bedrijven die erop vertrouwen dat ze voldoende interesse kunnen kweken bij de beleggers om de beursgang tot een succes te maken. En, net zo belangrijk: omdat de aankondiging van de beursgang gepaard ging met een hoop details over de bedrijfsvoering bij Facebook die we tot nu toe nog niet kenden.

Potentiële beleggers zullen zich afvragen hoe groot de risico's en de kansen zijn. Grappig overigens om te zien hoe de ene analist de factor 'mobiel' vooral als een bedreiging ziet (Facebook maakt er nu nog geen dollar winst), terwijl de andere dat juist als een kans ervaart (Facebook maakt er nu nog geen dollar winst!).

Wat ik eigenlijk vooral interessant vind, zijn de gedachten zoals die worden ontplooid in Marc Zuckerberg's begeleidende brief. Die is eigenlijk in twee grote delen op te splitsen. Het eerste deel gaat over de manier waarop Facebook tegen de toekomst van het web aankijkt. Dit deel is heel idealistisch:

… to give everyone a voice and to help transform society for the future…

… We hope to strengthen how people relate to eachother …

… We hope to improve how people connect to businesses and the economy …

… We hope to change how people relate to their governments and social institutions …

Nou ben ik zelf nauwelijks een Facebook-gebruiker (ik vind de interface absoluut niet gemakkelijk en uitnodigend), maar ik word wel geraakt door Zuckerbergs visie. Er spreekt een groter idealisme uit, een groter verlangen om met een goed product daadwerkelijk bij te dragen aan een betere wereld, dan je terugvindt in de prospectus van een gemiddelde beursnieuwkomer.

Maar eigenlijk zou een cynicus dit nog wel af kunnen doen als handige verkooptactiek, vooral bedoeld om de critici de pas af te snijden die het niet zo op hebben met het privacy beleid van Facebook.

Het tweede deel is interssanter nog, vooral omdat hier niet getwijfeld kan worden aan de intentie. Hackers staan er niet goed op bij het grote publiek. Hackers zijn die puisterige pubers die je bankrekening proberen te plunderen via je internetaccount, die je inbox volstoppen met spam, en die de nagel zijn aan de doodskist van de diplomatie (Wikileaks), de muziekindustrie (Pirate Bay!) en de filmwereld (Isohunt!). En toch breekt Zuckerberg onder de kop 'The Hacker Way' een lans voor hen. Het is de moeite  waard hier wat uitgebreider uit te citeren.

The word "hacker" has an unfairly negative connotation from being portrayed in the media as people who break into computers. In reality, hacking just means building something quickly or testing the boundaries of what can be done. Like most things, it can be used for good or bad, but the vast majority of hackers I've met tend to be idealistic people who want to have a positive impact on the world.

Hackers, zegt Zuckerberg, zijn mensen die liever gaan voor de inhoud dan voor het proces, die liever een risico nemen dan afwachten, die liever hands-on actief zijn dan beheren – en het is de hacker-cultuur die Facebook heeft gemaakt tot wat het nu is. Het succesvolste sociale netwerk ooit met meer dan 800 miljoen actieve gebruikers. Dat is bijna 10 % van de wereldbevolking!

De hacker-cultuur is bij Facebook omgezet in vijf basisprincipes:

  • focus on impact. Pak de grootste problemen aan die je kunt vinden
  • move fast. Ook al betekent dat dat er soms iets mislukt of zelfs kapot gaat – dat is dan nog beter dan niets doen
  • be bold. De riskantste strategie is de risicomijdende strategie
  • be open. We proberen, ook intern, zo weinig mogelijk voor elkaar te verbergen. Als iedereen op de hoogte is, worden de beste beslissingen genomen
  • build social value. We zijn er niet alleen voor onszelf, maar ook voor de wereld.

Als de beursgang van Facebook een succes wordt en blijft – dan is dat ook een overwinning voor de hackers onder ons.

 

Nieuws is lokaal, maar productie is mondiaal

Afgelopen week werd bekend dat de Daily Mail, Britse tabloid en exploitant van een van de afgrijselijkste nieuwssites  die ik ken, de New York Times is gepasseerd als 's werelds grootste nieuwssite. De Amerikaanse krant reageerde op dat nieuws een beetje nuffig. Een woordvoerster liet weten dat de Mail niet in dezelfde sector opereert en dus niet echt een concurrent is. En bovendien, impliceerde ze, spelen ze vals door allerlei externe sites aan hun tellingen toe te voegen. Nu is dat laatste natuurlijk heel goed mogelijk… Van Rupert Murdoch mogen we inderdaad niet verwachten dat hij boven het uithalen van wat statistische trucs staat.

Hoe dan ook, misschien nog interessanter dan de vraag wie nu precies de grootste heeft, is de waarneming dat Britse en Amerikaanse titels een gevecht voeren om de wereldhegemonie. Ze hebben hun taal mee, en het is dan ook niet voor niets dat zowel grote Britse als Amerikaanse titels hun heil steeds meer overzee zoeken. Nieman's Lab, de journalistensite van Harvard, heeft hier een interessant overzicht van. De Financial Times gaat de concurrentie aan met de Wall Street Journal en heeft inmiddels meer Amerikaanse dan Europese lezers. De Guardian mikt op dezelfde markt als de New York Times. In dat opzicht klopt het antwoord van NYT wel: het zou voor de Amerikanen veel ernstiger zijn als ze werden ingehaald door de Guardian dan door de Daily Mail.

Van oudsher geldt in uitgeversland het adagium dat alle nieuws lokaal is. Daarmee wordt bedoeld dat het publiek bereid is geld neer te leggen voor nieuws dat hen direct raakt, en dat in de meeste gevallen dus een lokaal karakter zal hebben. Ook gebeurtenissen ver weg dien je altijd zo dichtbij mogelijk te halen, om de relevantie voor de lokale markt te vergroten. Dat is ook precies de reden dat tot voor kort internationalisering van de nieuwsproductie nauwelijks plaatsvond. Lokale markten spreken lokale talen, en het is moeilijk industriële schaalgrootte te bereiken als je de nieuwsproductie op tien verschillende lokaties moet toespitsen en ook nog eens vertalen.

De Engelstalige markt heeft dat probleem natuurlijk altijd al veel minder gehad. News Corp van Rupert Murdoch is denk ik het beste voorbeeld van een nieuwsconglomeraat dat al in een heel vroeg stadium, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, ging internationaliseren. De Australiër Murdoch breidde eerst uit naar Groot-Brittannië en vervolgens naar de VS. Wat het huidige type Angelsaksische expansie echter anders maakt, is dat het nu titels, niet  de conglomeraten zijn die, gebruikmakend van hun internationale faam, proberen om buitenlandse markten te veroveren.

Niet minder belangrijk is dat ze daartoe ook bereid zijn om verregaand te lokaliseren. Huffington Post, dat in zijn kostenstructuur enorm wordt geholpen doordat het niet gehandicapt is door drukkerijen en papier-aankopen, opent lokale vestigingen in Frankrijk, Italië, Polen en Duitsland, in de talen van die landen. De Wall Street Journal doet hetzelfde in Duitsland, in navolging overigens van de FT die natuurlijk al lang een Duitstalige versie publiceert. Maar opnieuw: het zijn de merken die sterk zijn op een grote thuismarkt. Het lijkt alsof alleen zij in staat zijn tot zo'n internationale expansie.

Op die regel signaleert Nieman één uitzondering: dat is het Noorse bedrijf Schibsted. Uitgever van traditionele print- en online publicaties in Noorwegen, heeft het geleerd dat het in zijn traditionele business niet kan groeien. De Noorse nieuwsmarkt is een te kleine springplank naar internationale expansie, en de merken die het exploiteert zijn alleen nationaal bekend. Dus koos Schibsted een ander pad: het identificeerde de landen met veelbelovende en snelgroeiende economieën, en stortte zich daar op de verovering van de markt voor online rubrieksadvertenties. Ook een les dus voor Nederlandse uitgevers. Agressieve expansie loont, ook al kom je uit een klein taalgebied.

Geen recht op vergeten in journalistiek werk

Tot de moeilijkste problemen in mijn tijd als Hoofd Online van de Volkskrant behoorde de omgang met het archief. We baseerden ons natuurlijk op het principe dat het archief van grote journalistieke, economische en historische waarde was, waar we niet aan wilden tornen. Verzoeken om artikelen uit het archief te verwijderen of te wijzigen werden dan ook standaard afgewezen.

Toch werd het geleidelijk aan steeds moeilijker om aan die lijn vast te houden. Wat doe je met het verzoek van een jonge vrouw, begin twintig, die problemen ervoer in haar persoonlijke leven vanwege een stuk dat in de krant had gestaan. Toen ze een beetje jonger was, had ze ooit behoorlijk afgegeven op haar ouders. Dat was in een reportage over de verdwijnende generatiekloof. Ze had met naam en toenaam in de krant gestaan, het stuk kwam later op internet terecht, en wie ging Googlen op haar naam, kwam uit op dat verhaal.

Je kunt zeggen: als iemand met de krant praat, weet-ie dat het gepubliceerd gaat worden en dat het onder ogen van veel mensen gaat komen. Maar niet iedereen realiseert zich dat een krantenverhaal niet meer is als vroeger, toen het archief eigenlijk alleen door professionele documentalisten en archivarissen werd bekeken. Dat verhaal komt namelijk vaak op internet terecht, en zoals iedereen weet, heeft het web een oneindig geheugen. Maar zeker in de tijd dat dit voorbeeld speelt, was het nog niet zo gebruikelijk dat verhalen op de site terecht kwamen. Misschien was de veronderstelling in die tijd wel heel terecht dat het stuk de volgende dag gebruikt zou worden om de vis in te verpakken.

Naar mijn idee rust op journalisten de plicht om kwetsbare mensen in bescherming te nemen; heel jonge mensen bijvoorbeeld, of bronnen van wie je kunt vermoeden dat ze geestelijk niet helemaal in orde zijn, kunnen worden beschermd door niet hun werkelijke namen te gebruiken. In de meeste gevallen doet de werkelijke identiteit niet ter zake voor dat soort verhalen. Een reportage over misstanden in een bejaardentehuis wordt er niet slechter van als wordt vermeld dat mevrouw Pietersen in werkelijkheid niet zo heet. Het gaat om de beschrijving van de omgeving, niet om de persoon van mevrouw Pietersen.

Ik kom erop vanwege een nieuw voorstel van de Europese Commissie over het recht van burgers om 'vergeten' te worden, concreter: de mogelijkheid die burgers moeten krijgen om data die ondernemingen over hen hebben verzameld, te laten vernietigen. Een van de uitzonderingen op die regel is dat journalistieke archieven tot op zekere hoogte uitgezonderd zullen worden van deze maatregel. Verantwoordelijk Eurocommissaris Viviane Reding erkent dat deze archieven een grote waarde hebben. Aantasting daarvan is een vorm van vernietiging van ons historisch kapitaal. De vraag die zich onmiddellijk opdringt is naar de definitie van journalistiek. Het is hetzelfde probleem als de ethische waakhonden in diverse landen parten speelt. In sommige landen kunnen journalisten bijvoorbeeld niet verplicht worden om hun bronnen bekend te maken. Maar wie mag zich journalist noemen en dus een beroep doen op dit verschoningsrecht? Wie mag zich journalist noemen en zijn archief beschermen met een beroep op de journalistieke waarde?

Is dit blog journalistiek? En het blog dat ik destijds bij de Volkskrant bijhield?

Mochten we denken dat Redings voorstel duidelijkheid schept voor journalisten: nee. Zover zijn we helaas nog niet.

Journalistiek gaat een gouden toekomst tegemoet

Raar hoe het soms gaat. Drie weken geleden publiceerde ik een stuk over het conservatisme van journalistieke organisaties. Een kleine twee weken leidt het een slapend bestaan, en veroorzaakt het nauwelijks een heuveltje in mijn bezoekersaantallen. Dan mailt opeens een oud-collega die inmiddels de site opiniestukken.com drijft: of-ie het mag overnemen. 'Tuurlijk, zeg ik. Vind het leuk, net als elke journalist, als mijn stukkies onder de aandacht van meer mensen worden gebracht.

De site van mijn oud-collega wordt in de beroepsgroep duidelijk meer gelezen dan de mijne, want dan begint het ineens te lopen. Een drietal websites benadert me of ze het ook mogen overnemen, en zelfs het Brabants Dagblad wil het herpubliceren. Moedig besluit van de betreffende redacteur, want het is onder meer zijn werkgever (Wegener) die ervan langs krijgt in mijn verhaal.

Hoe dan ook, kreeg naar aanleiding van dit stuk dus ook weer de vraag wat dan mijn alternatief zou zijn. Welnu, ik zal het nog maar eens herhalen: naar mijn idee is de journalistiek als beroepsgroep en als ambacht helemaal niet ten dode opgeschreven. Ik blijf van mening dat er ook in de toekomst behoefte blijft bestaan aan mensen die ervoor zijn opgeleid om snel informatie te kunnen verwerken: het vinden van de goede bronnen, het bepalen van de juiste verklarende context, het vertellen van het verhaal in pakkende woorden en beelden, een aantrekkelijke presentatie: dit alles maakt deel uit van een ambacht waarvoor je dient te zijn opgeleid. Ondanks alle technische vernieuwingen en steeds slimmere robots, blijft goede journalistiek altijd mensenwerk.

Sterker nog, ik denk dat de behoefte aan mooie verhalen die de wereld en de actualiteit kunnen verklaren alleen maar toeneemt. Dat lijkt misschien tegenstrijdig aan de empirische gegevens waarover we op dit moment beschikken. Die laten immers zien dat het mediagebruik nog steeds gefragmenteerder is dan ooit. Mijn punt zou echter zijn dat fragmentatie van mediagebruik op zichzelf niets zegt over de behoefte van mensen aan betrouwbare informatie over actuele ontwikkelingen. Voor een deel helpt nieuwe, 'lean-back' technologie zoals tablets en smartphones eraan mee om zittend in je luie stoel de prachtige content van veel oude media te consumeren. Het distributiekanaal van die oude media is het internet; de informatiedrager is digitaal; de content zelf is kwalitatief hoogstaand en interessant.

Het is deze combinatie van factoren die de journalistiek in staat zou moeten stellen om de crisis te overwinnen. Journalisten kunnen een mooi verhaal vertellen; ze moeten alleen in staat worden gesteld dat ook te doen. Mijn twijfels zijn niet gericht op de journalistiek, maar op de journalisten zelf en hun bazen. Kunnen journalisten bijtijds hun ingebakken conservatisme van zich afschudden? En zijn de uitgevers  vernieuwend genoeg om die maatschappelijke veranderingen en technologische innovaties te omarmen?

Als die vragen bevestigend kunnen worden beantwoord… dan gaat de journalistiek een gouden toekomst tegemoet.