Nieuws is lokaal, maar productie is mondiaal

Afgelopen week werd bekend dat de Daily Mail, Britse tabloid en exploitant van een van de afgrijselijkste nieuwssites  die ik ken, de New York Times is gepasseerd als 's werelds grootste nieuwssite. De Amerikaanse krant reageerde op dat nieuws een beetje nuffig. Een woordvoerster liet weten dat de Mail niet in dezelfde sector opereert en dus niet echt een concurrent is. En bovendien, impliceerde ze, spelen ze vals door allerlei externe sites aan hun tellingen toe te voegen. Nu is dat laatste natuurlijk heel goed mogelijk… Van Rupert Murdoch mogen we inderdaad niet verwachten dat hij boven het uithalen van wat statistische trucs staat.

Hoe dan ook, misschien nog interessanter dan de vraag wie nu precies de grootste heeft, is de waarneming dat Britse en Amerikaanse titels een gevecht voeren om de wereldhegemonie. Ze hebben hun taal mee, en het is dan ook niet voor niets dat zowel grote Britse als Amerikaanse titels hun heil steeds meer overzee zoeken. Nieman's Lab, de journalistensite van Harvard, heeft hier een interessant overzicht van. De Financial Times gaat de concurrentie aan met de Wall Street Journal en heeft inmiddels meer Amerikaanse dan Europese lezers. De Guardian mikt op dezelfde markt als de New York Times. In dat opzicht klopt het antwoord van NYT wel: het zou voor de Amerikanen veel ernstiger zijn als ze werden ingehaald door de Guardian dan door de Daily Mail.

Van oudsher geldt in uitgeversland het adagium dat alle nieuws lokaal is. Daarmee wordt bedoeld dat het publiek bereid is geld neer te leggen voor nieuws dat hen direct raakt, en dat in de meeste gevallen dus een lokaal karakter zal hebben. Ook gebeurtenissen ver weg dien je altijd zo dichtbij mogelijk te halen, om de relevantie voor de lokale markt te vergroten. Dat is ook precies de reden dat tot voor kort internationalisering van de nieuwsproductie nauwelijks plaatsvond. Lokale markten spreken lokale talen, en het is moeilijk industriële schaalgrootte te bereiken als je de nieuwsproductie op tien verschillende lokaties moet toespitsen en ook nog eens vertalen.

De Engelstalige markt heeft dat probleem natuurlijk altijd al veel minder gehad. News Corp van Rupert Murdoch is denk ik het beste voorbeeld van een nieuwsconglomeraat dat al in een heel vroeg stadium, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, ging internationaliseren. De Australiër Murdoch breidde eerst uit naar Groot-Brittannië en vervolgens naar de VS. Wat het huidige type Angelsaksische expansie echter anders maakt, is dat het nu titels, niet  de conglomeraten zijn die, gebruikmakend van hun internationale faam, proberen om buitenlandse markten te veroveren.

Niet minder belangrijk is dat ze daartoe ook bereid zijn om verregaand te lokaliseren. Huffington Post, dat in zijn kostenstructuur enorm wordt geholpen doordat het niet gehandicapt is door drukkerijen en papier-aankopen, opent lokale vestigingen in Frankrijk, Italië, Polen en Duitsland, in de talen van die landen. De Wall Street Journal doet hetzelfde in Duitsland, in navolging overigens van de FT die natuurlijk al lang een Duitstalige versie publiceert. Maar opnieuw: het zijn de merken die sterk zijn op een grote thuismarkt. Het lijkt alsof alleen zij in staat zijn tot zo'n internationale expansie.

Op die regel signaleert Nieman één uitzondering: dat is het Noorse bedrijf Schibsted. Uitgever van traditionele print- en online publicaties in Noorwegen, heeft het geleerd dat het in zijn traditionele business niet kan groeien. De Noorse nieuwsmarkt is een te kleine springplank naar internationale expansie, en de merken die het exploiteert zijn alleen nationaal bekend. Dus koos Schibsted een ander pad: het identificeerde de landen met veelbelovende en snelgroeiende economieën, en stortte zich daar op de verovering van de markt voor online rubrieksadvertenties. Ook een les dus voor Nederlandse uitgevers. Agressieve expansie loont, ook al kom je uit een klein taalgebied.

Geen recht op vergeten in journalistiek werk

Tot de moeilijkste problemen in mijn tijd als Hoofd Online van de Volkskrant behoorde de omgang met het archief. We baseerden ons natuurlijk op het principe dat het archief van grote journalistieke, economische en historische waarde was, waar we niet aan wilden tornen. Verzoeken om artikelen uit het archief te verwijderen of te wijzigen werden dan ook standaard afgewezen.

Toch werd het geleidelijk aan steeds moeilijker om aan die lijn vast te houden. Wat doe je met het verzoek van een jonge vrouw, begin twintig, die problemen ervoer in haar persoonlijke leven vanwege een stuk dat in de krant had gestaan. Toen ze een beetje jonger was, had ze ooit behoorlijk afgegeven op haar ouders. Dat was in een reportage over de verdwijnende generatiekloof. Ze had met naam en toenaam in de krant gestaan, het stuk kwam later op internet terecht, en wie ging Googlen op haar naam, kwam uit op dat verhaal.

Je kunt zeggen: als iemand met de krant praat, weet-ie dat het gepubliceerd gaat worden en dat het onder ogen van veel mensen gaat komen. Maar niet iedereen realiseert zich dat een krantenverhaal niet meer is als vroeger, toen het archief eigenlijk alleen door professionele documentalisten en archivarissen werd bekeken. Dat verhaal komt namelijk vaak op internet terecht, en zoals iedereen weet, heeft het web een oneindig geheugen. Maar zeker in de tijd dat dit voorbeeld speelt, was het nog niet zo gebruikelijk dat verhalen op de site terecht kwamen. Misschien was de veronderstelling in die tijd wel heel terecht dat het stuk de volgende dag gebruikt zou worden om de vis in te verpakken.

Naar mijn idee rust op journalisten de plicht om kwetsbare mensen in bescherming te nemen; heel jonge mensen bijvoorbeeld, of bronnen van wie je kunt vermoeden dat ze geestelijk niet helemaal in orde zijn, kunnen worden beschermd door niet hun werkelijke namen te gebruiken. In de meeste gevallen doet de werkelijke identiteit niet ter zake voor dat soort verhalen. Een reportage over misstanden in een bejaardentehuis wordt er niet slechter van als wordt vermeld dat mevrouw Pietersen in werkelijkheid niet zo heet. Het gaat om de beschrijving van de omgeving, niet om de persoon van mevrouw Pietersen.

Ik kom erop vanwege een nieuw voorstel van de Europese Commissie over het recht van burgers om 'vergeten' te worden, concreter: de mogelijkheid die burgers moeten krijgen om data die ondernemingen over hen hebben verzameld, te laten vernietigen. Een van de uitzonderingen op die regel is dat journalistieke archieven tot op zekere hoogte uitgezonderd zullen worden van deze maatregel. Verantwoordelijk Eurocommissaris Viviane Reding erkent dat deze archieven een grote waarde hebben. Aantasting daarvan is een vorm van vernietiging van ons historisch kapitaal. De vraag die zich onmiddellijk opdringt is naar de definitie van journalistiek. Het is hetzelfde probleem als de ethische waakhonden in diverse landen parten speelt. In sommige landen kunnen journalisten bijvoorbeeld niet verplicht worden om hun bronnen bekend te maken. Maar wie mag zich journalist noemen en dus een beroep doen op dit verschoningsrecht? Wie mag zich journalist noemen en zijn archief beschermen met een beroep op de journalistieke waarde?

Is dit blog journalistiek? En het blog dat ik destijds bij de Volkskrant bijhield?

Mochten we denken dat Redings voorstel duidelijkheid schept voor journalisten: nee. Zover zijn we helaas nog niet.

Nieuwe economie wint overtuigend van de oude

Gisteren, woensdag, was het hoogtepunt in het wereldwijde protest tegen de Amerikaanse voorstellen voor het bestrijden van webpiraten. Veel sites, waaronder Wikipedia, Boingboing, WordPress.org en Mozilla (de makers van Firefox) gingen op zwart. De Amerikaanse congresleden die het voorstel bedachten, lijken in de touwen te hangen; eerder deze week, nadat het Witte Huis had bekend gemaakt dat president Obama de wet niet zou tekenen, was er even sprake van dat ze het wetsontwerp volledig zouden intrekken; maar dat bleek te vroeg gejuicht.

Ik heb niets toe te voegen aan al diegenen die Sopa, en zijn tegenhanger in de Senaat, Pipa, al hebben gefileerd tot op het bod. Terzijde: Google eens de woorden 'why sopa is'. Een korte blik op de eerste pagina van de 290 miljoen resultaten volstaat vermoedelijk om het sentiment te duiden. Internetcoryfeeën als Jeff Jarvis, Dan Gillmor en Clay Shirky hebben zich al voldoende over de principiële bezwaren tegen de nieuwe wet geboden.

Wat ik interessant vind, is dat het massale protest wel degelijk verschil maakt. De nieuwe economie wint het van de oude, schreef de New York Times vandaag. Twee weken geleden nog leek Sopa een gelopen race; de weinige oppositie die er was, werd gemak overvleugeld door de enorme meerderheden in Huis van Afgevaardigden en in de Senaat voor Sopa's broertje Pipa. Toen mobiliseerde het web zich en werd alles anders.

GoDaddy, marktleider in webhosting in de VS, was een van de eerste partijen die bakzeil haalde. Een oproep op Twitter aan de klanten om GoDaddy te laten merken dat ze de steun voor Sopa niet op prijs stelden, leidde er eind december toe dat in twee dagen tijd 37 duizend mensen hun account opzegden. Een kleinigheid vergeleken met de vele  miljoenen klanten die deze hosting provider bedient, maar de geschiedenis laat voldoende zien dat elke onderneming moet oppassen dat een klein stroompje niet een enorme vloed gaat worden.

En GoDaddy was de eerste; daarna volgden Nintendo, Sony en Electronic Arts. Het zal geen toeval zijn dat deze partijen niet alleen wortels hebben in de 'content'-industrie (dus platen, spelletjes en films produceren) maar ook grote belangen hebben in de wereld van high-tech. De partijen die content produceren, zijn de belangrijkste promotors van Sopa; de partijen die het moeten hebben van de verspreiding van technologie (Google, Facebook, Twitter, Wikipedia) zijn de belangrijkste bestrijders.

Hoe dan ook, de afgelopen week volgde de ene na de andere politicus onder druk van het veelkoppige sociale beest dat het internet is geworden. President Obama liet in het weekend weten grote problemen te hebben met Sopa; en woensdag trok een aantal Afgevaardigden en Senatoren zijn steun in.

Hoe het verder gaat met Sopa, moeten we afwachten; het lijkt wel duidelijk dat de wetsvoorstellen in hun huidige vorm geen kans van overleven hebben, maar de uitgeverijen en platenproducenten hebben een lange adem en een grote oorlogskas. Het zal nog niet afgelopen zijn. Maar wat ik mooi vind, is dit: de innovatie en de creativiteit, belichaamd in de partijen die het internet hebben vorm gegeven en door het internet groot zijn geworden, hebben deze slag overtuigend gewonnen. De grote verliezers zijn de platenbonzen en uitgeverijen, die, als het aan hen lag, het internet het liefst helemaal zouden verbieden.

Open data verdient betere ontsluiting

Kreeg een mailtje van oud-collega Mateo Mol. Hij vroeg of ik op zijn site wilde stemmen bij een wedstrijd die de overheid organiseert voor applicaties die zijn gebouwd op basis van 'open data'. Mateo en een andere oud-collega hebben gewerkt aan 10000scholen.nl, een website waar ouders informatie kunnen opvragen over lagere en middelbare scholen in hun omgeving. Je kunt er zien wat de verhouding autochtoon/allochtoon is, hoe de school het doet bij de eindexamens, wat het oordeel is van de inspectie, en of er meer mannen dan vrouwen bij het onderwijzend personeel zitten. De informatie waar de site zich op baseert komt uit databases die de overheid de laatste jaren heeft opengesteld.

Als elke overheid dit voorbeeld volgt, zegt Neelie Kroes van de Europese Commissie, kan dat de economie in de EU een jaarlijkse stimulans ter waarde van 40 miljard bezorgen. Die claim wordt niet onderbouwd, maar dat het Kroes menens is mag wel blijken uit haar aankondiging dat ze tot 2013 100 miljoen ter beschikking stelt om data-gedreven technologieën verder te ontwikkelen.

Volgens de definitie is open data:

  • verzameld voor de uitoefening van een publieke taak
  • en betaald met publiek geld
  • openbaar op grond van de wet Openbaarheid Bestuur

Het is bovendien handig dat de data kan worden uitgelezen met behulp van een computer en dus voldoet aan een paar standaarden, zoals XML, SOAP of KML (als het gaat om geografische data). De overheid heeft een site ter beschikking waar ontwikkelaars open data vandaan kunnen halen, en waar al een aantal initiatieven worden gepresenteerd. Zal best een forse lijst zijn inmiddels, maar het probleem is wel dat-ie nauwelijks doorzoekbaar is en ook anderszins weinig overzichtelijk.

Enfin. Terwijl we wachten op een betere ontsluiting van de open datasets, kunnen ontwikkelaars en goudzoekers hier  alvast inspiratie opdoen. En vergeet niet te stemmen op Mateo's site natuurlijk.

Hoe handige software je leven comfortabeler maakt

Een screenshot van FeedDemon

Sinds ik vorige maand eindelijk verlost raakte van mijn vreselijke Nokia N97, heb ik me gevoeld als een kind in Luilekkerland. Ik heb het natuurlijk over de Android-market, waar ik een aantal gratis apps heb opgepikt die ik dagelijks gebruik op mijn nog glanzend nieuwe Samsung Galaxy S2. (Nee, dit is geen betaald stukje – dit is echt, puur, onversneden enthousiasme van een heavy user).

Het probleem dat ik wilde oplossen is het volgende: ik ben nog steeds een fan van een oude technologie, die naar mijn gevoel nog helemaal niets aan belang heeft ingeboet: RSS. Ik gebruik de gratis versie van FeedDemon, waarin dagelijks een paar honderd nieuwe berichten binnenlopen – van uiteenlopende sites als ReadWriteWeb, Emerce, de internet- en techsecties van Guardian en New York Times, en Planet PHP. Ik heb lang niet elke dag tijd om achter mijn laptop te gaan zitten en al die koppen te bekijken. Als ik de hele dag op pad ben om een training te geven of een klant te bezoeken, gaat mijn laptop zelfs niet aan. Tot mijn grote leedwezen, want als dat een paar dagen achter elkaar gebeurt, alarmeert FeedDemon mij dat ik wellicht de panic button wil indrukken en zo in een klap een paar duizend ongelezen artikelen als gelezen wil markeren. Dat verlicht de druk – o jee, al die interessante ongelezen stukken – maar is natuurlijk niet de bedoeling.

De oplossing zit in mijn smartphone en werkt als volgt. Het begint bij de synchronisatie tussen FeedDemon en mijn account bij Google. Ik zorg ervoor dat, als ik mij abonneer op een nieuwe feed, dit nieuwe abonnement in de cloud bij Google Reader ook bekend is. Deze synchronisatie is een optie van FeedDemon die ik elke gebruiker kan aanraden. Zij zorgt er namelijk voor dat niet alleen je abonnementen gelijk lopen (wat handig is als je FeedDemon op verschillende computers is geïnstalleerd, thuis en op je werk), maar ook dat de gelezen artikelen worden gelijk getrokken.

Op mijn Samsung heb ik vervolgens gReader geïnstalleerd – het equivalent van FeedDemon voor mijn mobiel. Twee keer per dag synchroniseert gReader de gelezen artikelen en haalt het mijn abonnementen op. Omdat de synchronisatie via Google Reader verloopt, zie ik dus ook op mijn telefoon precies wat ik nog moet lezen. Ik kan nu veel sneller op verloren momenten, als ik ergens op wacht of onderweg ben, even de nieuwe artikelen scannen. Het is kortom veel gemakkelijker geworden om alle feeds bij te houden.

De derde fase zit in het bewaren van interessante verhalen. Want laten we wel wezen: 90 procent van de koppen die ik zie, klik ik niet aan – niet interessant genoeg. Voor de resterende 10 procent heb ik eigenlijk twee keuzes: onmiddellijk lezen, of later lezen. Kortere stukjes lees ik bijna altijd meteen; langere verhalen bewaar ik  voor offline lezen door middel van een andere cloud based  app, genaamd ReadItLater. Een enkel verhaal vind ik zo interessant dat ik voor langere tijd wil bewaren. Dat kunnen technische tutorials zijn, of interessante beschouwingen over de toekomst van de journalistiek, of ingewikkelde analyses over de patentenstrijd tussen Google en Apple. Daarvoor heb ik de beschikking over alweer een in de cloud gebaseerde dienst genaamd Evernote.

In Evernote bewaar ik aantekeningen, foto's, maar ook belangrijke bestanden of  interessante webpagina's. Die kunnen allemaal worden getagd en in categorieën worden ondergebracht. Technische handleidingen gaan in een categorie genaamd 'programmeren' en worden voorzien van tags als 'Zend Framework' of 'Serverbeheer'. Veel artikelen gaan in een categorie genaamd 'blog', om er later inspiratie bij het bloggen uit te putten.

Effect van dit alles: ik raak minder kwijt – het is gemakkelijker om interessante zaken te bewaren. Ik zit vaker  in de huiskamer en minder achter mijn bureau – via mijn smartphone of via mijn Galaxy Tablet (waarop ik op precies dezelfde manier werk en die vanwege zijn grotere scherm nog een stukje comfortabeler is) kan ik alles bijhouden. Mijn laptop staat iets minder vaak aan. En het belangrijkste: het bijhouden van mijn feeds voelt niet langer als werken, maar als het bijhouden van mijn hobby: alle belangrijke nieuwe ontwikkelingen te volgen die met het internet, met nieuwe media, met programmeren en met journalistiek te maken hebben.

En oja, voor het geval het nog niet duidelijk is: alle in dit stukje genoemde toepassingen zijn gratis.

 

Ik vertrouw Google niet, maar Apple nog minder

Ik heb af en toe tamelijk verhitte discussies met mensen die zweren bij Apple. Het is wel een eenzijdige verhitting – het gebruik van willekeurig welke software of hardware is voor mij geen kwestie van religie, zoals het voor sommige anderen wel lijkt te zijn. Ik let toch vooral op wat praktisch is, op wat werkt en wat niet werkt.

En gek genoeg vind ik het belangrijker om aandacht te besteden aan hoe iets fout gaat, dan om te letten op wat er precies goed gaat. Als er twee producten zijn die allebei fouten vertonen, dan is voor mij een belangrijk criterium hoe die producten omgaan met hun fouten. Het product dat op elegante wijze struikelt, heeft bij mij tien strepen voor op het product dat valt, net doet of er niks aan de hand is, en fluitend weer zijn weg gaat.

Klinkt tamelijk raar, dat begrijp ik. Een concreet voorbeeld dan. Tot vorige week was ik de ongelukkige eigenaar van een Nokia N97 mini. Een apparaat dat een jaar of twee geleden op de markt kwam, en mij van begin af aan niks dan ellende bezorgde. Het was voor mij bijvoorbeeld bijna onmogelijk een telefoongesprek te beëindigen. Een telefoon aan het oor betekent dat het touchscreen disabled is – logisch, want anders zou elke aanraking met het oor tot ongewenste effecten leiden. Maar voordat de touchscreen weer reageerde op mijn aanrakingen, was ik bij wijze van spreke tientallen seconden verder. Niet handig. En vooral: wat ik ook veranderde in de instellingen, ik kon er niks aan doen. Zoektochten op internet leverden niks op. En dit was maar een van de vele klachten die ik over dit apparaatje had. En Nokia zelf? Gaf geen sjoege.

Ik heb nu een Samsung Galaxy S2. Wat een opluchting. Prachtig om te zien, snel, tjokvol hippe functies, niet te vergeten een uitgebreide Market waar ik allerlei uitbreidingen kan kopen of gratis kan krijgen.

Maar denk ik nu dat ik de hele leeftijd van dit apparaatje er net zo blij mee blijf als ik nu ben? Tuurlijk niet. Ik ben niet naïef. Ook dit ding zal struikelen, vastlopen, last krijgen van nukken en grillen. Maar het grote verschil is dat een simpele zoektocht naar de werking van Android, het installeren van deze of gene App, of de oorzaken van mogelijke fouten een waar mer à boire oplevert van wetenswaardigheden. Dat komt omdat Android in wezen een open systeem is – in tegenstelling tot de systemen van Nokia, Microsoft en Apple.

Zoals technologie altijd zal falen – volgens Cory Doctorow een wezenskenmerk van technologie: chaos ligt altijd op de loer – zo zijn ondernemingen nooit te vertrouwen. Zelfs niet Google. 'Don't be evil' is een lege kreet. Ondernemingen zijn uit op winst, dat is alles. Google net zo goed als Apple of Microsoft. Maar het grote verschil tussen Google en Apple is dat Google op een elegantere manier dan Apple de fout in gaat. Google's falen is controleerbaarder dan dat van Apple.

Apple, Google en Facebook zijn volgens mij de meest innovatieve ondernemingen van de afgelopen tien jaar. Ik bewonder ook – nog steeds – Microsoft en Amazon. Google's producten zijn niet mooier of beter dan die van de concurrentie – ik wantrouw Google slechts iets minder dan de rest. Als het moet, shop ik bij Amazon, post ik wat op Facebook, of gebruik ik software van Microsoft. Maar waar ik echt kan kiezen, heb ik het liefst Google.

Het begint te werken! Open news van The Guardian

Het was wel vergeleken met het publiceren van Coca Cola’s geheime recept: The Guardian besloot vorige week om zijn nieuwsagenda open te gooien en lezers uit te nodigen om met ideeën en aanvullingen te komen. Voor de niet-ingewijden: de journalistieke nieuwsagenda is een goed bewaard geheim van de meeste redacties. Er staat in wie wat vandaag gaat onderzoeken, en bevat de items die de krant van morgen zullen halen. Bij ochtendkranten wordt zo’n nieuwsagenda in de loop van de dag steeds specifieker; er kan zelfs een pagina-indeling op komen te staan.

Je kunt je dus voorstellen dat de concurrentie met meer dan gemiddelde belangstelling keek naar dit experiment. Maar, zegt hoofdredacteur Dan Roberts nu, de resultaten vallen niet tegen. De belangstelling kwam in eerste instantie vooral van andere journalisten, die wilden weten waarom de krant met deze proef begon. Maar geleidelijk aan beginnen lezers te reageren, en komt de gewenste interactie op gang.

Het gaat er immers om, zegt Roberts, dat de journalistiek transparanter wordt over zijn werkwijze en zijn bronnen. Het recente grote afluisterschandaal dat de Britse journalistiek teistert, heeft het vertrouwen van het publiek nog verder ondermijnd. Openheid over de nieuwsagenda en de expliciete redactionele vraag aan de lezers om met tips en aanvullingen te komen, kunnen ertoe bijdragen dat lezers zich meer bij het journalistieke productieproces betrokken gaan voelen.

Een van de uitgangspunten lijkt me ook te zijn  dat de lezers van de Guardian (van elke krant) bij elkaar meer weten dan het selecte groepje semi-experts dat de redacties bevolken. Met dit experiment is het voor de redactie gemakkelijker om die verzamelde kennis, die ‘wijsheid van de massa’s’, af te tappen.

De Guardian laat opnieuw zien beter dan alle andere kranten in Europa te zien wat het kernprobleem van de moderne journalistiek is, en creatief te kunnen denken over de oplossingen daarvan. Sociale factoren (toenemend wantrouwen jegens traditionele nieuwsbronnen, minder tijd voor kranten en journaals), technologische vernieuwing (tablets, mobiel, steeds gemakkelijker interactie met je publiek), en economische problemen (op termijn steeds minder inkomsten uit papier) komen samen in de tijd en leiden tot de huidige crisis. Als je je eigen publiek tot medewerkers kunt bombarderen, zet je een belangrijke stap op weg naar een oplossing van deze problemen.

Interview over anonimiteit op internet

Kreeg wat vragen toegestuurd van Laurens Lammers, freelance journalist voor onder andere de GPD-kranten (de regionale kranten in Nederland). Aanleiding was dit stuk op de site van de Volkskrant. Heb Laurens onderstaande antwoorden gemaild.

– In de offline wereld is het heel normaal dat mensen hun echte naam gebruiken. Waarom is dat anders in de online wereld?

Dit fenomeen heeft zijn oorsprong in het vroege gebruik van het internet. In Usenet nieuwsgroepen in de jaren tachtig en negentig, was het onder deze vroege gebruikers heel gewoon om elkaar met een ‘nickname’ aan te spreken – korter, krachtiger, en een nick zei meer over wie iemand was dan een echte naam. Deze gewoonte is inmiddels traditie geworden, die wordt bekrachtigd door een aantal andere factoren:

  • De grote openheid van het internet. Veel mensen laten geven zichzelf online in grote mate bloot, niet alleen omtrent hun privéleven, maar ook als het gaat om politieke standpunten. Deze mensen voelen zich veiliger om niet hun echte naam te gebruiken; als ze willen, kunnen ze hun nick wel meedelen aan vrienden en familie
  • Ik ben geen socioloog, maar misschien heeft het ook te maken met een behoefte aan ontsnapping aan het dagelijks leven; sommige mensen willen gebruik maken van de mogelijkheid om online iemand anders te zijn dan offline.
  • Iemand kan onder een pseudoniem een heel eigen online reputatie opbouwen – een verschijnsel dat je vaak ziet in online communities, waar ‘Maanlander3’ een imago heeft waar ‘Jan Jansen’ niet aan kan tippen.

– Googles belangrijkste argument om op Google+ alleen het gebruik van echte namen toe te staan, is dat mensen gevonden moeten kunnen worden. Dat is toch een prima argument?

Nee, daarmee ben ik het niet zo eens; niet iedereen wil altijd gevonden worden, en ik vind dat je de keuze in principe aan de gebruikers zelf moet laten. Bovendien geloof ik Google niet; ik denk dat de werkelijke reden een heel commerciële is. Een echte naam is commercieel meer waard dan een pseudoniem.

– Als Google iemands (echte) naam en overige persoonsgegevens wil gebruiken voor marketingdoeleinden: wat is daar dan fout aan? Zo werkt het toch bij gratis diensten of producten?

Daarmee is in principe niks fout, het probleem is alleen dat Google en veel andere online dienstverleners niet open zijn over de manieren waarop de gegevens worden gebruikt en over de middelen die worden ingezet om die gegevens te achterhalen. Het is een ding om Google toe te staan om mijn surfgedrag op te slaan, te aggregeren met die van miljoenen andere gebruikers, en daaruit dan statistische conclusies te trekken; het is iets heel anders als Google mijn privégegevens deelt met adverteerders.

– Hoe reëel zijn de sancties waarmee Google dreigt als iemand zich met een valse naam aanmeldt bij Google+? Hoe kan Google sowieso te weten komen dat mijn gebruikersnaam op Google+ niet mijn echte naam is?

Dat is inderdaad een probleem; Google kan dat niet werkelijk en is daarmee ook al de fout ingegaan (zie dit stuk op mijn blog). Google heeft geen middelen om mijn echte naam te achterhalen, tenzij ze een soort Digid-achtig systeem gaan inzetten.

– Op Google+ bepaal je als gebruiker zelf welke personen er in je kringen zitten en wie wat kan/mag lezen (= een kwestie van goed instellen). Een gebruiker die publiceert onder zijn echte naam kan zich daardoor toch genoeg afschermen om eventuele repercussies te voorkomen?

Ja – in principe is dit waar. Het probleem is echter soortgelijk aan Facebook, waar dit soort instellingen zo verborgen zijn, zo vaak wijzigen, en bovendien op een verkeerde ‘standaardwaarde’ worden gezet. Nu valt er wel wat te zeggen voor het feit dat mensen die zo dom zijn om de instellingen niet goed te verkennen, dan maar op de blaren moeten zitten; maar bij sommige ondernemingen (en dan denk ik op dit moment eerder aan Facebook dan aan Google) lijkt het daadwerkelijk bedrijfsbeleid te zijn om het de gebruikers op dit vlak zo ingewikkeld mogelijk te maken en zelfs zoveel mogelijk om de tuin te leiden.

– In je VK-stuk schrijf je dat je ooit de gedachte aanhing dat mensen zich online een stuk beter gedragen wanneer ze onder hun eigen naam opereren. Hang je die gedachte tegenwoordig geheel niet meer aan of toch nog wel een beetje?

Nee, ik denk dat dat nog steeds klopt; wie onder zijn echte naam opereert, zal over het algemeen voorzichtiger zijn. Ik denk alleen dat het principieel en praktisch niet af te dwingen is, om de reden die ik noem in het VK-stuk.

– Hoe belangrijk is volgens jou het recht van mensen op anonimiteit op internet?

Dat recht is zeer belangrijk, ik denk zelfs dat het een fundamenteel recht is voor de meeste diensten. Natuurlijk betekent dat niet dat anonimiteit altijd volledig dient te zijn; als ik uitbater ben van een webshop, dan wil ik mijn producten wel naar werkelijk bestaande mensen kunnen verzenden; maar ook in dat geval wil ik niet dat iemand zonder mijn toestemming te weten zou komen dat ik daar geshopt heb. Het moet mijn keus zijn om mijn online activiteiten aan de grote klok te hangen of niet; het is wat mij betreft net zo’n fundamenteel recht als het briefgeheim of het recht dat ik heb dat mijn telefoongesprekken niet worden afgeluisterd.

De baanloze toekomst

Volgens Jeff Jarvis zijn we onze westerse economieën radicaal aan het vernachelen. In een recent artikel op zijn blog Buzzmachine over The jobless future verkondigt hij dat het voeren van beleid om nieuwe banen te creëren onbegonnen werk is. Nieuwe banen zijn namelijk niet onze prioriteit; wat wij als gezamenlijke consumenten willen zijn betere  producten en diensten tegen een lagere prijs. Technologie stelt ons in staat om dat doel te bereiken. De prijs die we daarvoor als samenleving betalen, is een lagere werkgelegenheid. ‘Technology leads to efficiency over growth‘, is Jarvis’ centrale uitgangspunt.

Dat zie je in bijna alle sectoren van de economie terug. Van de detailhandel tot de amusementsindustrie: Amazon en Spotify, waar het enigszins kan, digitaliseren zij producten; zij verkopen elektronen  in de vorm van data. Waar er toch nog afhankelijkheid bestaat van atomen (dus tastbare fysieke producten) nemen zij die simpelweg op in hun goedkope magazijnen en distribueren zij die praktisch tegen kostprijs. Daar kan geen V&D of Hema tegenop.

Het internet met zijn sociale netwerken en onbeperkte mogelijkheden tot producten en prijzen met elkaar te vergelijken, leidt ertoe dat producenten genoegen moeten nemen met steeds lagere marges. De race naar nul, noemde Chris Anderson dat in zijn boek Free.

Jarvis’ opmerkingen hebben tot een forse discussie op allerlei fora geleid (Google+, Hackernews, Rob Paterson, Ben Casochna – linkjes zijn van Jarvis zelf); ik heb nog niet alles gelezen, maar op het eerste gezicht komt zijn stelling op mij over als enigszins kortzichtig. Dat wil zeggen: technologische vooruitgang heeft in de geschiedenis zelden of nooit geleid tot verlies van werkgelegenheid in de economie als geheel. Integendeel: innovatie leidt meestal tot een hogere arbeidsproductiviteit, wat op zijn beurt weer nieuwe banen creëert. Wel zullen die banen veelal in andere, vaak compleet nieuwe sectoren te vinden zijn. Je ziet dus verschuivingen op de arbeidsmarkt; en volgens mij is er geen reden om aan te nemen dat het in de huidige golf van vernieuwing anders zal zijn.

Je zult maar Blake Ross heten…

Net nieuwe column geplaatst op de site van de Volkskrant. Gaat over anonimiteit op het web en  het merkwaardige privacybeleid van Google (zie Google+) en Facebook. Maak van de gelegenheid gebruik om twee extra opmerkingen te plaatsen. Want het is natuurlijk raar dat ik LinkedIn heb gemist, met zijn nieuwe beleid om ongevraagd profielen en foto’s van gebruikers te plaatsen in advertenties op die site. Dat lijkt me een duidelijk geval van misbruik van vertrouwen. En daarnaast lees ik nu net dat Google+ een van de ontwerpers van Firefox uit zijn netwerk heeft gegooid, vanwege het gebruik van een valse identiteit. De man heet echter werkelijk Blake Ross….