Persgroep verandert internetbeleid (opnieuw)

Ben er nog niet helemaal van overtuigd dat het ‘nieuwe’ internetbeleid van de Persgroep-kranten helemaal consistent is. Heb vernomen dat  de internetredacties van de Amsterdamse kranten weer terug verhuizen naar Amsterdam, en dat de integratie van de vier Nederlandse kranten (AD, Volkskrant, Trouw en Parool) voor een deel weer ongedaan wordt gemaakt. Het AD wordt apart gezet, en er komt een Amsterdamse ‘kwaliteitspoot’.

Het is nog niet eens een jaar geleden dat het nieuwe beleid werd opgetuigd. De vier afzonderlijke internetredacties werden in Rotterdam bij elkaar gezet onder één hoofdredacteur, Bart Franssen. Die moest erop toezien dat de te produceren stukkies niet dubbel werden getikt: een keer voor het AD, en nog een keer voor Trouw. Het hele idee was om op die manier ruimte te maken zodat elke krant zich kon focussen op zijn kracht. Voor de Volkskrant was dat onder andere kunst, politiek en opinie. Die veranderingen lijken nu voor een deel te worden terug gedraaid. Mogelijk is dat ook een van de redenen van het vertrek van Franssen, die een paar maanden geleden meldde dat-ie terugging naar België.

In de focus van de Volkskrant op kunst, opinie en politiek verandert niets, mailde Philippe Remarque, hoofdredacteur van de Volkskrant, mij vandaag. Volgens hem is nog niet helemaal duidelijk wat er precies gaat gebeuren. Wel wordt aangestuurd op een ‘quality’ poot, in zijn woorden. ‘De kern van de nieuwe opzet blijft overeind, nl. een nieuwsstroom voor vier titels en een vk webredactie die zich geheel wijdt aan speerpunten als politiek, opinie en cultuur’.

Heb ook nog wat mailcontact gehad met wat oude collega’s. Die reppen vooral van verwarring en onduidelijkheid. Volgens een van hen komt er een nieuwe speciale afdeling voor alle digitale activiteiten: Persgroep Digital. Wordt gevestigd te Amsterdam, met een nieuwe manager. Startdatum zou ergens in april van 2012 zijn. Als dat doorgaat heeft het Rotterdamse avontuur van mijn Amsterdamse oud-collega’s nog geen jaar geduurd.

Verder is ook voorzien dat er meer met de Belgische zustersites van bijvoorbeeld De Morgen wordt samengewerkt. Ben benieuwd wat dát dan precies inhoudt; je kunt je toch niet goed redactionele uitwisseling van stukken voorstellen, gegeven de verschillen in taalgebruik en journalistieke mores  in België en Nederland.

Het begint te werken! Open news van The Guardian

Het was wel vergeleken met het publiceren van Coca Cola’s geheime recept: The Guardian besloot vorige week om zijn nieuwsagenda open te gooien en lezers uit te nodigen om met ideeën en aanvullingen te komen. Voor de niet-ingewijden: de journalistieke nieuwsagenda is een goed bewaard geheim van de meeste redacties. Er staat in wie wat vandaag gaat onderzoeken, en bevat de items die de krant van morgen zullen halen. Bij ochtendkranten wordt zo’n nieuwsagenda in de loop van de dag steeds specifieker; er kan zelfs een pagina-indeling op komen te staan.

Je kunt je dus voorstellen dat de concurrentie met meer dan gemiddelde belangstelling keek naar dit experiment. Maar, zegt hoofdredacteur Dan Roberts nu, de resultaten vallen niet tegen. De belangstelling kwam in eerste instantie vooral van andere journalisten, die wilden weten waarom de krant met deze proef begon. Maar geleidelijk aan beginnen lezers te reageren, en komt de gewenste interactie op gang.

Het gaat er immers om, zegt Roberts, dat de journalistiek transparanter wordt over zijn werkwijze en zijn bronnen. Het recente grote afluisterschandaal dat de Britse journalistiek teistert, heeft het vertrouwen van het publiek nog verder ondermijnd. Openheid over de nieuwsagenda en de expliciete redactionele vraag aan de lezers om met tips en aanvullingen te komen, kunnen ertoe bijdragen dat lezers zich meer bij het journalistieke productieproces betrokken gaan voelen.

Een van de uitgangspunten lijkt me ook te zijn  dat de lezers van de Guardian (van elke krant) bij elkaar meer weten dan het selecte groepje semi-experts dat de redacties bevolken. Met dit experiment is het voor de redactie gemakkelijker om die verzamelde kennis, die ‘wijsheid van de massa’s’, af te tappen.

De Guardian laat opnieuw zien beter dan alle andere kranten in Europa te zien wat het kernprobleem van de moderne journalistiek is, en creatief te kunnen denken over de oplossingen daarvan. Sociale factoren (toenemend wantrouwen jegens traditionele nieuwsbronnen, minder tijd voor kranten en journaals), technologische vernieuwing (tablets, mobiel, steeds gemakkelijker interactie met je publiek), en economische problemen (op termijn steeds minder inkomsten uit papier) komen samen in de tijd en leiden tot de huidige crisis. Als je je eigen publiek tot medewerkers kunt bombarderen, zet je een belangrijke stap op weg naar een oplossing van deze problemen.

Interview over anonimiteit op internet

Kreeg wat vragen toegestuurd van Laurens Lammers, freelance journalist voor onder andere de GPD-kranten (de regionale kranten in Nederland). Aanleiding was dit stuk op de site van de Volkskrant. Heb Laurens onderstaande antwoorden gemaild.

– In de offline wereld is het heel normaal dat mensen hun echte naam gebruiken. Waarom is dat anders in de online wereld?

Dit fenomeen heeft zijn oorsprong in het vroege gebruik van het internet. In Usenet nieuwsgroepen in de jaren tachtig en negentig, was het onder deze vroege gebruikers heel gewoon om elkaar met een ‘nickname’ aan te spreken – korter, krachtiger, en een nick zei meer over wie iemand was dan een echte naam. Deze gewoonte is inmiddels traditie geworden, die wordt bekrachtigd door een aantal andere factoren:

  • De grote openheid van het internet. Veel mensen laten geven zichzelf online in grote mate bloot, niet alleen omtrent hun privéleven, maar ook als het gaat om politieke standpunten. Deze mensen voelen zich veiliger om niet hun echte naam te gebruiken; als ze willen, kunnen ze hun nick wel meedelen aan vrienden en familie
  • Ik ben geen socioloog, maar misschien heeft het ook te maken met een behoefte aan ontsnapping aan het dagelijks leven; sommige mensen willen gebruik maken van de mogelijkheid om online iemand anders te zijn dan offline.
  • Iemand kan onder een pseudoniem een heel eigen online reputatie opbouwen – een verschijnsel dat je vaak ziet in online communities, waar ‘Maanlander3’ een imago heeft waar ‘Jan Jansen’ niet aan kan tippen.

– Googles belangrijkste argument om op Google+ alleen het gebruik van echte namen toe te staan, is dat mensen gevonden moeten kunnen worden. Dat is toch een prima argument?

Nee, daarmee ben ik het niet zo eens; niet iedereen wil altijd gevonden worden, en ik vind dat je de keuze in principe aan de gebruikers zelf moet laten. Bovendien geloof ik Google niet; ik denk dat de werkelijke reden een heel commerciële is. Een echte naam is commercieel meer waard dan een pseudoniem.

– Als Google iemands (echte) naam en overige persoonsgegevens wil gebruiken voor marketingdoeleinden: wat is daar dan fout aan? Zo werkt het toch bij gratis diensten of producten?

Daarmee is in principe niks fout, het probleem is alleen dat Google en veel andere online dienstverleners niet open zijn over de manieren waarop de gegevens worden gebruikt en over de middelen die worden ingezet om die gegevens te achterhalen. Het is een ding om Google toe te staan om mijn surfgedrag op te slaan, te aggregeren met die van miljoenen andere gebruikers, en daaruit dan statistische conclusies te trekken; het is iets heel anders als Google mijn privégegevens deelt met adverteerders.

– Hoe reëel zijn de sancties waarmee Google dreigt als iemand zich met een valse naam aanmeldt bij Google+? Hoe kan Google sowieso te weten komen dat mijn gebruikersnaam op Google+ niet mijn echte naam is?

Dat is inderdaad een probleem; Google kan dat niet werkelijk en is daarmee ook al de fout ingegaan (zie dit stuk op mijn blog). Google heeft geen middelen om mijn echte naam te achterhalen, tenzij ze een soort Digid-achtig systeem gaan inzetten.

– Op Google+ bepaal je als gebruiker zelf welke personen er in je kringen zitten en wie wat kan/mag lezen (= een kwestie van goed instellen). Een gebruiker die publiceert onder zijn echte naam kan zich daardoor toch genoeg afschermen om eventuele repercussies te voorkomen?

Ja – in principe is dit waar. Het probleem is echter soortgelijk aan Facebook, waar dit soort instellingen zo verborgen zijn, zo vaak wijzigen, en bovendien op een verkeerde ‘standaardwaarde’ worden gezet. Nu valt er wel wat te zeggen voor het feit dat mensen die zo dom zijn om de instellingen niet goed te verkennen, dan maar op de blaren moeten zitten; maar bij sommige ondernemingen (en dan denk ik op dit moment eerder aan Facebook dan aan Google) lijkt het daadwerkelijk bedrijfsbeleid te zijn om het de gebruikers op dit vlak zo ingewikkeld mogelijk te maken en zelfs zoveel mogelijk om de tuin te leiden.

– In je VK-stuk schrijf je dat je ooit de gedachte aanhing dat mensen zich online een stuk beter gedragen wanneer ze onder hun eigen naam opereren. Hang je die gedachte tegenwoordig geheel niet meer aan of toch nog wel een beetje?

Nee, ik denk dat dat nog steeds klopt; wie onder zijn echte naam opereert, zal over het algemeen voorzichtiger zijn. Ik denk alleen dat het principieel en praktisch niet af te dwingen is, om de reden die ik noem in het VK-stuk.

– Hoe belangrijk is volgens jou het recht van mensen op anonimiteit op internet?

Dat recht is zeer belangrijk, ik denk zelfs dat het een fundamenteel recht is voor de meeste diensten. Natuurlijk betekent dat niet dat anonimiteit altijd volledig dient te zijn; als ik uitbater ben van een webshop, dan wil ik mijn producten wel naar werkelijk bestaande mensen kunnen verzenden; maar ook in dat geval wil ik niet dat iemand zonder mijn toestemming te weten zou komen dat ik daar geshopt heb. Het moet mijn keus zijn om mijn online activiteiten aan de grote klok te hangen of niet; het is wat mij betreft net zo’n fundamenteel recht als het briefgeheim of het recht dat ik heb dat mijn telefoongesprekken niet worden afgeluisterd.

De waarde van nieuws

Zolang ik me kan herinneren ben ik verslaafd aan nieuws. Op vakantie maak ik er een gewoonte van om dagelijks een krantje te kopen; als ik een Volkskrant of NRC kan vinden, perfect, maar zelfs het lokale sufferdje is goed – als ik maar het idee heb dat ik verbonden blijf aan de constante nieuwsstroom die door ons leven loopt. Het is een prettig onderdeel van de vakantieroutine, om aan het eind van de middag ergens een beschaduwde plek op te zoeken, ene goed glas wijn te drinken met wat nootjes erbij, en mijn krantje open te slaan.

Ik was eigenlijk bijna vergeten hoe belangrijk die routine voor me is, totdat ik er deze zomer, op reis door Cuba, weer eens mee geconfronteerd werd. Er zijn twee krantjes te koop, Granma en Juventud – de een nog dunner dan de ander. 8 Pagina’s op tabloid formaat, dat is het wel zo’n beetje. Nauwelijks internationaal nieuws, en wat er is vanzelfsprekend fors gekleurd door de kijk van de Castrootjes op de wereld. Dat wil zeggen: lovende woorden voor de verworvenheden van Hugo Chavez, de president van Venezuela die in het land was om behandeld te worden tegen kanker. Een rare dubbele kijk op de opstand in Libië; en geen goed woord voor Obama, die al net zo’n foute president is als zijn voorganger. Verder veel informatie over de tabaksoogst, een nieuw kinderopvang-centrum in Camagüey, en de laatste uitslagen van het ‘beisbol’ (baseball), de nationale sport van Cuba.

Verstoken dus van nieuws – want internet is er ook al nauwelijks. Zes euro per uur kost het, als je het al kunt vinden, en het is tergend traag. Op je computer is een raar soort uitgeklede versie van Windows XP te vinden (wat ik opmerkelijk vond, gegeven de verdere onvindbaarheid van moderne Amerikaanse producten op Cuba – je zou verwachten dat de regering de ideologie van de open source zou omarmen). Als je geluk hebt, heeft een slimme beheerder naast IE6 ook nog een relatief nieuwe versie van Firefox geïnstalleerd. Maar dat is het wel.

Cuba is een fascinerend land. We spraken met boeren, die ons vertelden dat ze voor het slachten van hun eigen koe toestemming nodig hadden van de regering, en dat ze niet zelf de prijs voor hun tabak mochten bepalen; die wordt twee keer per jaar vastgesteld door de regering. Het heeft niet veel zin om ambitieus te zijn – de grenzen van je mogelijkheden worden niet door jouzelf bepaald, maar door de overheid.

Maar tegelijkertijd een land vol zon en muziek, met een uitstekende gezondheidszorg, op de meeste plaatsen stroom, een werkend riool en gemakkelijke toegang tot schoon water. Een land met relatief weinig gemotoriseerd verkeer (veel oude Amerikaanse sleeën!), weinig mogelijkheden om te shoppen, en nauwelijks advertenties. Een land waar je gemakkelijk afstand kunt nemen van je normale hectische tempo. Is er een verband tussen deze verworvenheden en al die blijdschap die we onderweg zagen? Of was die vrolijkheid pure  fake, een decor dat voor de toeristen in stand blijft? Kan het me toch nauwelijks voorstellen – dat vergt een wijd verbreid toneeltalent. Natuurlijk ben ik een naïeve toerist. Ik zou er veel langer moeten wonen om me een beter gefundeerd oordeel te vormen. En het is vanuit mijn positie als rijke Hollander gemakkelijk om me te wentelen in nostalgie over deze samenleving, die qua tempo misschien wel een beetje lijkt op het Nederland van vijftig jaar geleden.

Mijn nieuwsverslaving is op Cuba overigens niet genezen.

Met traditie verdien je geen geld

De laatste weken veel technische trainingen gegeven: een advanced masterclass PHP (in Gent), een cursus XML in Utrecht, Ajax (ook in Gent) en Zend Framework (in Antwerpen). En hoewel ik het geven van dit soort technische trainingen enorm leuk vind om te doen (en ik er zelf ook nog veel van leer) heeft het wel tot gevolg dat ik weinig tijd heb gehad om dit blog bij te werken. Nogal tegen mijn principes in eigenlijk. Een van de elementen die ik propageer bij de bedrijven en instellingen waar ik adviseer, is dat, áls je een blog bijhoudt, je dat ook met enige regelmaat moet doen. Je moet je klanten koesteren, nietwaar – en eens per maand een nieuw blogbericht maken getuigt niet echt van een enorme motivatie, laat staan respect jegens de mensen die de moeite nemen om met enige regelmaat mijn site te bezoeken.

Klopt allemaal – en ik kan alleen als argument aanvoeren dat ik het te druk heb gehad. Niet om te schrijven zelf – ik bedoel, dat kost in de regel weinig tijd. Waar natuurlijk de meeste uren in gaan zitten, is het doen van research en het onderbouwen van de argumenten bij de stellingen die ik poneer. Ik heb het gevoel dat ik het beter kan laten als ik aan die research onvoldoende toekom.

Er zit trouwens een rechtstreekse relatie tussen de hoeveelheid tweets die ik verstuur enerzijds en de blogberichten die ik schrijf anderzijds. Logisch ook. De meeste tweets zijn linkjes die ik in mijn ochtendlijke wandeltochten langs mijn RSS-feeds tegenkom en de moeite waard vind. En daarover gaan meestal ook mijn blogs.

Hoe dan ook – mijn aandacht vanochtend werd getrokken door dit bericht van Jeff Jarvis, van buzzmachine-faam. Heerlijk, die nuchterheid waarmee hij de klachten en de economische modellen van de krantenindustrie fileert. Traditie is geen business model, is de eerste. Lijkt me logisch. Dat je in het verleden succesvol bent geweest, is geen garantie voor succes in de toekomst. Sterker, volgens mij is het een handicap. Want in mijn ervaring zijn krantenredacties behoorlijk conservatief, en dat komt voor een heel groot deel omdat ze in het verleden veel successen hebben geboekt.

Ik vind het lijstje van Jarvis bijzonder waardevol. Ik zie zomaar het begin van een nieuwe serie: elke paar dagen een nieuwe aflevering, met wat uitgewerkte gedachten van elk van de lessen van Jarvis.

Amerikaanse leger creëert fake accounts voor sociale media

Tja, zo kan het natuurlijk ook. Volgens de Guardian heeft het Amerikaanse leger software in ontwikkeling om automatisch accounts aan te maken op verschillende sociale media zoals Facebook en Twitter. Die personae kunnen vervolgens worden gebruikt, aldus het verhaal, om in het geheim conversaties van andere gebruikers te beïnvloeden en Amerikaanse propaganda te bedrijven.

De software van de Californische onderneming NTrepid (kosten: 2,76 miljoen dollaar) zou één soldaat in staat stellen om zichzelf virtueel tienmaal te vermenigvuldigen en evenzoveel accounts aan te sturen.

Een van de kenmerken van het sociale web is dat het is gebouwd op reputatie. Werkelijke namen doen er niet toe – iemand die al jaren onder een fakenaam actief is op willekeurig welk sociaal netwerk (of dat nu Marktplaats is of Facebook of Second Life) heeft onder zijn fakenaam een eigen identiteit opgebouwd, die voor hem net zo waardevol is als zijn echte naam in het werkelijke leven.

Het beangstigende van de nu in te zetten software is niet de ontwikkeling ervan. Maar wel de inzet door het Amerikaanse leger, juist omdat het de bijl zet aan dat reputatiesysteem. De software doet kennelijk niet veel meer dan een aantal virtuele omgevingen creëren op één computer waardoor tegelijkertijd die verschillende accounts kunnen worden aangestuurd. Tegelijkertijd zal er een soort mechanisme in moeten zitten dat het mogelijk maakt om achtergronden en ‘levens’ te construeren en consistent te houden door de tijd.

Verandert dit echt iets in de manier waarop we omgaan met de informatie die tot ons komt via sociale netwerken? Dat denk ik eigenlijk niet. We moesten hoe dan ook alle status-updates en tweets met een korrel zou nemen, zeker als die over zaken gingen die ook journalistiek relevant zouden kunnen zijn. Daarin komt niet wezenlijk verandering. Het gaat er meer om dat desinformatie via sociale netwerken nu officieel onderdeel van het Amerikaanse beleid wordt. En daarover ben ik toch wel enigszins geschokt. Als een officiële woordvoerder nepverhalen onder een nepidentiteit gaat ophangen in officiële briefings voor de pers, dan zou de wereld te klein zijn. Ik vind dat deze praktijk evenmin door de beugel kan.

Update: zie hier het commentaar van Jeff Jarvis over de campagne.

Bronnen voor ‘long-form’ journalistiek

Nieuwe column op de Volkskrant-site gaat over long-form journalistiek. Centrale lijn in het betoog: Twitter en andere sociale media worden steeds meer gebruikt op een manier waarvoor ze eigenlijk niet bedoeld zijn. Status-updates nemen de plaats in van het verhaal; het mooie, lange, goed doorwrochte en onderbouwde verhaal verliest terrein. Jammer.

Voelde me aangesproken door een oproep van een programmeur, Chris Shiflett, om van maart een internationale blogmaand te maken. Het werd opgepakt door Matthew Weier O’Phinney, de hoofdarchitect van het Zend Framework, die op zijn blog meldt hoe hij een lange discussie voerde, op Twitter, over een of ander softwareprobleem. De oplossing waar ze na verloop van tijd op kwamen, verdween natuurlijk als een razende het stenen Twittertijdperk in, de onpeilbare diepten van de tijdlijn. Wat betekent: zo goed als onvindbaar. Had ik er maar een blog van gemaakt, verzucht-ie; dan had het door meer mensen gevonden en gelezen kunnen worden.

Dit hele betoog sluit mooi aan bij een onderwerp waar ik het al langer over wilde hebben naar aanleiding van een stuk van begin februari in Business Week. Technologie zou wel eens de redding kunnen zijn van ‘long form’ journalism. Op het web, is de strekking, lezen we geen lange verhalen meer. Veel van ons browsegedrag wordt bepaald door de omgeving waarin we verkeren. Als we op ons werk zitten, hebben we geen tijd om lang stil te staan bij de soms interessante pagina’s die we tegenkomen. We willen ze eigenlijk wel graag bewaren om ze later op ons gemak, liefst op onze tablet op de bank, nog eens door te lezen. Komt er meestal niet van, mede omdat de meeste browsers weinig andere opties bieden voor het opslaan van een stuk dan een bookmark te maken. En dat lijkt dan weer overkill.

En voila: duiken er zomaar een paar applicaties op die het bewaren van langere stukken mogelijk maken. Instapaper gebruik ik zelf met veel plezier, maar ReadItLater en Longform lijken prima alternatieven. En ik merk inderdaad dat ik er gemakkelijker toe kom om weer langere verhalen te lezen. Met mij vele miljoenen anderen, zo lijkt het.

Ben het niet eens met de bewering van Business Week dat deze applicaties de redding van de traditionele journalistiek vormen; daarvoor zijn ze natuurlijk ook helemaal niet gemaakt. Elke lang verhaal, inclusief de technische handleidingen van Matthew Weier O’Phinney, kunnen op deze manier worden opgeslagen en later worden teruggelezen.

Maar goed, misschien moet ik mijn collega’s van de geschreven pers hun schamele hoop gunnen. Per slot van rekening was dit ook de week waarin duidelijk werd dat nieuwsconsumenten in de VS inmiddels hun informatie meer van het web halen dan uit de kranten. En stond in de Volkskrant (dat dan weer wel, maar helaas niet online) dat in de afgelopen tien jaar een kwart van de Nederlandse dagbladjournalisten hun werk hebben verloren. Hun aantallen zijn gedaald van dik vierduizend naar dik drieduizend.

Ja, dan klamp je je aan elke strohalm vast…

We ‘raden niet aan’, maar ‘vinden wel leuk’

Op Nieman Journalism Lab, een site voor journalistieke vernieuwing, staat een interessant verhaal over het vervangen van Facebooks ‘share’ knop door de ‘like’ knop. We delen steeds minder, en vinden steeds vaker leuk. De reden is betrekkelijk simpel, zowel voor de gebruikers als voor de aanbieders van deze knoppen.

Iets leuk vinden is leuk, en wil je graag delen. Hee vrienden, kijk eens wat ‘n leuke site ik gevonden heb. Vind jij vast ook geweldig. Misschien kun je er iets mee. Iets delen, laat staan iets aanraden, stelt Nieman terecht, voelt veel meer als een klus. O ja, dit moet ik ook nog even doorgeven aan die collega. Niet vergeten  te doen. O shit, toch vergeten… nou ja, je voelt denk ik ook wel het verschil. Dat wat betreft de gebruikers.

Voor de aanbieders van de knoppen is het voordeel nog evidenter. Gebruikers klikken veel vaker op de ‘like’ dan op de ‘share’ knop. Voor de keuze gesteld of een bericht 100 of 1000 keer wordt verspreid via het gigantische sociale netwerk dat Facebook is, hoef je niet lang na te denken: like, dus.

Toch is de keuze wellicht minder gemakkelijk dan het hier lijkt, zeker voor traditionele nieuwsorganisaties. Als ik een bericht heb over de opstand in Libië, wat betekent het dan precies dat ik dit bericht ‘leuk’ vind? Vind ik de opstand zelf leuk, of vind ik het bericht goed? Dat is niet zo evident.

Ook de meeste Nederlandse nieuwssites lijken zich aan de ‘conventie’ te houden – voor zover je al kunt spreken van een conventie. Op vk.nl wordt ‘aanraden’ gebruikt, net als bij telegraaf.nl, trouw.nl en ad.nl. NRC hanteert ‘recommend’, mogelijk omdat ze in Rotterdam nog niet zijn toegekomen aan de vertaling. Maar misschien vinden ze het gewoonweg sjieker staan. Tweakers.net, een techblog met nieuws, gebruikt ‘delen’, terwijl GeenStijl op zijn nieuwe site helemaal niet van het bestaan van Facebook op de hoogte lijkt. Sowieso vind ik het opvallend dat GeenStijl niet is ingeplugd in de sociale netwerken.

Nieman trekt de conclusie dat nieuwsorganisaties zich bewust moeten zijn van die voorkeur van nieuwsconsumenten: iets ‘leuk’ vinden werkt beter dan iets ‘aanraden’, en dat betekent misschien wel dat je daarmee rekening moet houden met de keuze van je nieuws. Vind ik wel wat ver gaan. Maar een andere conclusie deel ik wel: als je publiceert op het internet en je wilt het multiplier effect gebruiken dat sociale media kunnen hebben, volstaat het niet om een Facebook of Hyves knopje onder je artikel te zetten. Vind je sociale media echt belangrijk, dan moet je je content daarop afstemmen en rekening houden met de voorkeuren van je publiek. Zij verspreiden alleen nieuwtjes in hun eigen sociale netwerk die ze echt ‘leuk’ vinden, die werkelijk de moeite waard zijn.

Disclaimer: ik realiseer me dat ik moet werken aan dat nietszeggende rijtje knopjes onder dit verhaal, achter het kopje ‘share’. Voorlopig beschouw ik het maar als een klein service-element op deze site.

Twitter als bron voor journalisten

Kwam deze post tegen op mediahelpingmedia.org over het gebruik van Twitter als journalistieke bron. Sluit aardig aan op de training die ik onlangs gaf aan tachtig redacteuren van een regionale krant over het doen van research op het internet en het journalistieke gebruik van sociale media.

Als je als verslaggever Facebook en Twitter wil gebruiken, dan is de allerbelangrijkste raad: vergeet je journalistieke basishouding en gezonde verstand niet. Ik heb van Arjan Dasselaar de paasei-regel geleerd voor wat betreft het doen van onderzoek op internet: één bron is geen bron, twee bronnen is maar een halve bron, en pas als je drie bronnen hebt waarvan je met enige zekerheid kunt vaststellen dat ze onafhankelijk van elkaar opereren, dan pas kun je zeggen dat je het journalistieke voetenwerk achter de rug hebt. Eigenlijk is dat misschien zelfs nog te weinig – want werkelijke onafhankelijkheid is bijna onmogelijk vast te stellen.

Dat geldt des te meer wanneer je voor je verhalen afhankelijk bent van sociale media, zoals nu maar al te vaak gebeurt in de verslaglegging van de gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Controleer de bron, dus de twitter-account die de meest opzienbarende en brekende nieuwtjes weet te brengen.

  • Ga na of hij werkelijk de eerste was door op zijn hashtags te zoeken en in zijn tijdlijn terug te gaan tot de oorsprong.
  • En was hij op dat moment een nieuwe twitteraar, of heeft hij een account die al een tijdje meegaat
  • Past zijn verhaal in een context? Anders gezegd, beweert hij plotseling niet in een achterstandswijk van Tripoli te wonen terwijl hij zich eerder had voorgedaan als bewoner van een villa aan de kust van de Middellandse Zee?
  • Google hem. Probeer uit te vinden wat je nog meer over hem te weten kunt komen. Heeft hij ook accounts op Facebook of andere sociale media? Gebruik daarbij zowel zijn twitternaam als zijn echte naam (als je die kent)
  • Bezoek zijn website
  • Wie zijn z’n volgers? En wie volgt hij?
  • Probeer rechtstreeks contact met hem te leggen via mail of een DM op Twitter. Vraag hem naar zijn omstandigheden.

De belangrijkste les: gebruik je gezond verstand. Het internet is net de echte wereld, vol van mogelijke bedriegers en mensen die zich interessanter willen voordoen dan ze zijn. Maar ook een bron van informatie en, als je weet wat je doet, nieuws – heel soms zelfs wijsheid.

Geld verdienen met online content

De boodschap in dit verhaal (Can a content business scale on the Internet?) op Online Journalism Review spreekt mij enorm aan. Als schrijver ben ik groot geworden bij de Volkskrant – maar dat maakt niet uit, had ook bij Trouw of NRC kunnen zijn. Waar het om gaat is dat mijn schrijversgenen zijn gevormd in een omgeving waarin het van belang was om creatief te zijn in je onderwerpkeuze en je benadering. Mijn bazen vonden het belangrijk dat we ons onderscheidden van het standaardwerk dat in de regel werd afgeleverd door de persbureau’s. ‘Veel te veel anp’tjes’, was zo’n beetje de ernstigste klacht die een hoofdredacteur kon uiten tijdens het ochtendoverleg.

Het unieke karakter van een kwaliteitskrant wordt gevormd door de eigenaardigheden (kwaliteiten, zo je wil) van de journalisten die er werken. Natuurlijk kan hun werk in een formule gegoten worden. Ook een journalist bij de Volkskrant plaatst het belangrijkste nieuws in een lead en schrijft zo dat het bericht ’van onderen opgerold kan worden’ – de laatste alinea’s moet je successievelijk kunnen weghalen zonder dat de essentie van het verhaal wordt aangetast.

Maar het punt is dat zelfs binnen die formule meer dan genoeg ruimte is voor eigenheid, voor de keuzes die je als journalist zelf wil maken. Die eigenheid vind je ook terug op de beste blogs op het internet. Is daarmee geld te verdienen, vraagt Robert Niles zich af in bovengenoemd stuk? Ja, mits je maar ruimte laat voor de gemeenschap die om zo’n journalistieke cultuur heen kan ontstaan. Reken auteurs niet af op elk afzonderlijk bericht dat ze publiceren, maar kijk naar het totaal.

Ik herken wat hij zegt. Er staan in dit blog een kleine tweehonderd bijdragen; de overgrote meerderheid wordt maandelijks maar een of twee keer bekeken. Een paar verhalen springen eruit, blijkt uit mijn Google Analytics. Dat zijn de aandachtstrekkers.

De cruciale vraag: als Google zou besluiten om Demand Media (onder andere eHow) uit te sluiten van de zoekresultaten, hoeveel bezoek blijft er dan over? En als Google datzelfde zou doen met DailyKos of Huffington Post?   Juist – dat is het verschil tussen de content factory en de creative factory….