Hoe science fiction onze wereld verandert

Science Fiction boekenDe fictie die ik het liefste lees, is Engelstalige (veelal Amerikaanse) science fiction. En dan niet zozeer het genre fantasy of space opera (met grootscheepse, op interstellaire schaal uitgevochten oorlogen tussen mensen en achtpotige aliens), maar wel de zogeheten hard science fiction, waarin de huidige stand van de wetenschap wordt geëxtrapoleerd naar de nabije toekomst.

En het andere type dat me interesseert is de dystopische science fiction, die veel meer handelt over het effect van technologische innovatie op de menselijke geest, relaties en maatschappij. Auteurs als de oudjes Arthur C. Clarke of Isaac Asimov, en hun jongere broers Neal Stephenson (Cryptonomicon, Snow Crash), Stephen Baxter, William Gibson (Neuromancer), Philip K. Dick (A Scanner Darkly) behoren tot mijn favorieten. Momenteel race ik door Kim Stanley Robertson, die een prachtige trilogie publiceerde over de pogingen om van Mars een leefbare planeet te maken.

Ik zag deze week toevallig een paar publicaties die voeding geven aan de gedachte dat, hoe je ook in literair opzicht over scifi mag denken, het genre  daadwerkelijk vaak inspiratiebron is voor praktische uitvindingen. Bekijk deze graphic eens (tekst gaat verder onder de afbeelding):

History of Books that Forecast the Future Infographic

Natuurlijk is het plaatje een beetje misleidend, want het heeft alleen de voorspellingen opgenomen die ook daadwerkelijk uitkwamen; ik vermoed dat er veel meer zijn gedaan die niet uitkwamen. Maar dat is niet het punt; veel belangrijker is het dat goede scifi inspirerend kan zijn voor echte nieuwe wetenschap en echte maatschappelijke en economische  innovatie. Wat me brengt op een tweede verhaal dat ik deze week las, op de site van het Smithsonian, How America’s Leading Science Fiction Authors Are Shaping Your Future. Een quote uit het einde van dit lange verhaal vat het aardig samen (maar lees vooral het hele stuk!):

Science fiction, at its best, engenders the sort of flexible thinking that not only inspires us, but compels us to consider the myriad potential consequences of our actions. Samuel R. Delany, one of the most wide-ranging and masterful writers in the field, sees it as a countermeasure to the future shock that will become more intense with the passing years. “The variety of worlds science fiction accustoms us to, through imagination, is training for thinking about the actual changes—sometimes catastrophic, often confusing—that the real world funnels at us year after year. It helps us avoid feeling quite so gob-smacked.”

Het derde verhaal gaat over Google X, het geheime lab van Google waar onder andere de Glass het licht zag, het plan werd gelanceerd om de hele wereld te voorzien van gratis internet door wifi-weerballonnen op te laten, en de zelfrijdende automobiel wordt vervolmaakt. De mensen die er werken worden geacht om niet incrementeel maar revolutionair te denken. Het gaat ze niet om een auto die 1 op 50 rijdt (in plaats van de huidige 1 op 15 of zo), maar om een vervoermiddel waarmee 1 op 500 te halen is. Dat vereist een compleet nieuwe manier van denken en het loslaten van alle voor waar aangenomen zekerheden. Ook dit is iets waarbij goede science fiction kan helpen.

Infographic van PrinterInks

Optimisme, kansen en twijfels

2014-03-27 11.11.06Wie dit blog regelmatig volgt, weet dat ik me af en toe behoorlijk kritisch heb uitgelaten over de publieke omroep. Dan zal het vreemd overkomen dat ik het nieuwe Hoofd Digitaal van de VPRO word, zoals gisteren aangekondigd. En het klopt, ik heb getwijfeld of ik wel in zou moeten gaan op de uitnodiging om te komen praten. Niet om de inhoud: het is een van de interessantste posities binnen het wereldje van de nieuwe media.

De VPRO maakt mijn favoriete  programma’s (met Tegenlicht als mooiste voorbeeld), maar is ook van oudsher de meeste innovatieve omroep. Ik herinner me mijn eerste bezoek, misschien wel tien jaar geleden, toen ik nog Hoofd Online van de Volkskrant was. We gingen praten over cinema.nl, in die tijd nog een gezamenlijk project van VK en VPRO. We werden ontvangen door Erwin Blom en GertJan Kuiper, en Erwin liet mij vol trots zien hoe de VPRO applicaties aan het ontwikkelen was voor de digitale kanalen van de publieke omroep. Let wel, dit was in een tijd dat nog geen enkele kabelaar een digitaal kanaal kon doorgeven.

Vijf redenen om toch te gaan praten:

  • de kwaliteit van de programma’s staat centraal
  • die gespitstheid op innovaties,
  • de onmiddellijke vertaalslag van uitvinding naar toepasbaarheid,
  • het nadenken over hoe die nieuwe technieken ook andere verhaalvormen mogelijk maken,
  • plus de strategische betekenis van dit alles voor de VPRO

En als je dan een paar inspirerende gesprekken voert met VPRO’ers die deze ontwikkelingen mogen leiden – ja, dan wordt de stap wel een stuk eenvoudiger. En daar komt simpelweg bij dat het buitengewoon eervol is om in de voetsporen te mogen treden van Erwin en zijn opvolger, Erik van Heeswijk.

De twijfels zitten in het achterlaten van mijn bedrijf. Ik ben ruim vier jaar ondernemer geweest, heb hele leuke klussen gedaan en fijne klanten gehad. De vrijheid van het ondernemerschap is me goed bevallen. En de twijfels zitten ook in de ruimte die de afzonderlijke omroepverenigingen nog hebben om mooie dingen te maken. Hoe bureaucratisch is de NPO? Hoe groot zijn de mogelijkheden? Op dit moment heb ik nog geen idee.

Ik zie er ook naar uit om een vergelijking te kunnen maken tussen de Volkskrant en de VPRO. Ik deed bij de krant immers bijna hetzelfde werk, en ik ben er vertrokken, na de overname door Persgroep, omdat ik de ruimte voor zelfstandige innovatie steeds kleiner zag worden. Mijn indruk op dit moment is dat de VPRO steviger in de schoenen staat. Misschien ben ik te optimistisch. Maar dan leest u het hier.

De stilte verklaard

logo_300Na maanden van stilte kan ik nu eindelijk verklaren waarom je zo weinig van me hebt gehoord, de afgelopen maanden. Ik ben samen met mijn oud-Volkskrant collega Eddy Hamoen heel druk bezig geweest met het opbouwen van een nieuw platform voor 3D-productie, genaamd 3dPlaza. Vanmiddag, maandagmiddag de 9e september, wordt ons initiatief officieel gelanceerd met het aanbieden van een hoed die uit de 3D-printer komt aan Anne-Wil Lucas, Tweede-Kamerlid voor de VVD.

De bouw is een enorme aanslag geweest op mijn tijd – ik kon mijn andere werkzaamheden er nog goed bij hebben, maar dit weblog heeft eronder geleden. Mijn verontschuldigingen. Ik hoop in de toekomst weer iets meer tijd te kunnen maken voor het blog.

Hoe dan ook, 3dPlaza is in zekere zin de verwezenlijking van een droom. Wat mij het meeste aanspreekt in ons concept, is het gevoel dat we hebben dat we hiermee echt aan het front van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen opereren. Dat we in staat zijn om snel in te spelen op nieuwe technologieën, en dat we van dichtbij kunnen meemaken hoe deze kunst, industrie, design en commercie beïnvloeden. Razend interessant dus. Ik houd jullie op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen.

De Correspondent is oude wijn in nieuwe zakken

Voorpagina De CorrespondentMooi initiatief van Rob Wijnberg, ex-chef van NRC-Next, om een nieuw journalistiek platform op te richten. Toch heb ik mij niet ingeschreven voor De Correspondent. Zestig euro kan ik nog wel missen; en nieuwe journalistiek, wat Wijnberg beweert te gaan bedrijven, verdient alle steun.

De Nieuwe Pers sponsorde ik vorig jaar van ganser harte, en ik zou het onmiddellijk weer doen mocht het nodig zijn. Terzijde: ze zijn nu al meer dan een maand aan het produceren, en ik heb nog geen letter kunnen lezen. Later vandaag komt hun website in de lucht, heb ik begrepen, maar als fanatiek Apple-hater begrijp ik eigenlijk niet waarom ze eerst een iPhone/iPad-app hebben gemaakt, en daarna pas over Android zijn gaan denken – dat nota bene een groter marktaandeel heeft!

Waarom voelt het nou zo anders bij De Correspondent? Deels is het de fanfare waarmee het product in de markt wordt gezet. Een hele stoet aan notabelen is ingeschakeld, wat Wijnberg meteen een plek in De Wereld Draait Door opleverde. Prima hoor, het is hem hartelijks gegund, maar ik vind het wat unfair tegenover De Nieuwe Pers die heel wat kariger werd bedeeld met gratis reclame. Het inschakelen van al deze bekende Nederlanders is bovendien enigszins misleidend. Ik kan me ten minste niet voorstellen dat Arnon Grunberg of Femke Halsema, hoe respectabel ook, regelmatig het soort diepgravende journalistiek bedrijven waarmee Wijnberg groot wil worden.

Wat mij echter veel meer dwars zit is het gat tussen pretentie en praktijk.

Pretentie: dagelijkse productie, geen nieuws, maar vooral uitleg en duiding, door uitgesproken correspondenten. Uiteindelijk gaat het erom ‘diepere inzichten te bieden’. Voor zestig euro per jaar mag je niet meepraten over de journalistieke inhoud, maar krijg je wel medezeggenschap over een deel van het rendement.

Insinuatie die hierachter schuil gaat: bij de traditionele media wordt te weinig aan uitleg en duiding gedaan. Er worden geen diepere inzichten geboden. De traditionele media drijven op hypes. En ze stoppen een hoop dode bomen door de brievenbus en zijn dus niet mee in de moderne tijd.

Die insinuatie vind ik unfair. Er is genoeg kritiek te leveren op het innovatiebeleid van NRC en de Volkskrant, en dat heb ik op deze plek al vaak gedaan. Maar ik heb nooit beweerd dat hun journalistiek niet deugt. Integendeel, dit zijn wat mij betreft nog steeds kwaliteitskranten die tot het beste behoren wat de Nederlandse journalistiek te bieden heeft.

Als De Correspondent werkelijk gebruik gaat maken van alle journalistieke mogelijkheden die het internet biedt – ja, dan ben ik om. Maar van die plannen zie ik dan weer bitter weinig terug. Datajournalistiek, crossmedialiteit, user generated content, journalistiek gebruik van sociale media – grote gaten die de Volkskrant en NRC laten liggen, en waar De Correspondent zo in zou kunnen stappen. Zouden ze dat gat vullen, dan mag je wat mij betreft spreken over echte vernieuwing.

In plaats daarvan: meer achtergrond, meer duiding, meer context. Meer van hetzelfde dus. Oude wijn in nieuwe zakken.

En dan: wie enig zicht heeft op de veranderingen in de manieren waarop consumenten met nieuws en informatie omgaan, weet dat consumenten niet meer trouw zijn aan een nieuwsmerk. Ze maken dagelijks andere keuzes en zijn in die zin veel wispelturiger geworden. Ik kan een liefhebber zijn van het kunstprogramma Podium en het kitschprogramma RTL-Boulevard. Ik kan ’s ochtends naar Radio 4 luisteren, en ’s middags naar 538. Maakt me niks uit. Ik ga voor programma’s die ik mooi vind, en ik wil lezen wat mij boeit. Dat kan net zo goed een verhaal zijn in Trouw als in de Amersfoortse Courant of de Volkskrant. Of De Correspondent.

Dwing mij niet om 60 euro neer te leggen voor een massaproduct. Terwijl het ook zo anders kan. Bij De Nieuwe Pers kan ik kiezen welke journalisten ik interessant vind. Elinea biedt mij de mogelijkheid om te abonneren op losse rubrieken of journalisten van alle meewerkende uitgevers.

Wat ik zei: De Correspondent is hetzelfde garen op een ander klosje.

De perfecte toekomst binnen handbereik

The Rail Yard [Explored] Ik ben een vooruitgangsfetisjist. Ik geloof dat de wereld dag na dag, jaar na jaar, eeuw na eeuw steeds een klein beetje beter wordt. Ik vertaal dat in termen van emancipatie: wij mensen verbeteren ons leven door ons geleidelijk aan steeds meer vrij te maken van restricties die van buitenaf worden opgelegd. Technische vooruitgang bevrijdt ons van de beperkingen van de natuur, politieke en sociale emancipatie ontdoen ons van onze maatschappelijke ketenen.

Uiteraard sluit ik mijn ogen niet voor alle gruwelijkheden die dagelijks overal op de wereld plaatsvinden en die je kunnen doen twijfelen aan de menselijke progressie. Maar toch heb ik de sterke neiging om die gruwelijkheden te beschouwen als krassen in een lijn die, over het geheel, een opwaartse trend van bevrijding laat zien.

Dit ingebakken optimisme is niet heel erg in de mode, geloof ik. Het is trending om somber te zijn, cynisch en pessimistisch. Niet veel mensen geloven tegenwoordig in een toekomst waarin honger niet meer bestaat, oorlog een anomalie is, en de grote meerderheid van de wereldbevolking zelf zijn leven kan bepalen. Want van wie zouden de oplossingen voor de problemen van maatschappij, milieu, gezondheid en politiek moeten komen? Het geloof in de maakbare samenleving is stuk, de overheid is machteloos, grote ondernemingen willen slechts hun aandeelhouders tevreden stellen, het onderwijs lijkt niet meer over de energie te beschikken, en over het morele failliet van religie is genoeg gesproken.

Toch volstaat een kleine blik op de cijfers om het ongelijk van de pessimisten aan te tonen. Op praktisch alle gebieden (sociaal, economisch, politiek) is er sprake van vooruitgang in de meeste wezenlijke indicatoren. De gemiddelde levensverwachting is de afgelopen honderd jaar verdubbeld, het aantal mensen dat in extreme armoede leeft is gehalveerd. Een mooie samenvatting geeft Hans Rosling in deze beroemde Ted Talk:

Steven Johnson, de Amerikaanse auteur van onder andere ‘Where do good ideas come from‘, heeft een nieuw boek gepubliceerd waarin hij antwoord geeft op de vraag waar de nieuwe impuls van menselijke emancipatie vandaan moet komen. In ‘Future Perfect‘ vestigt hij zijn hoop op het stelsel van netwerken van ‘gelijkgestemden’ (peer network is de Engelse term, waarvoor ik nog geen adequate vertaling heb gevonden). Hij beschouwt het internet niet als een panacee, maar als een model. De Zeven Provinciën zijn ook zo’n model, net als de Italiaanse stads-staten van de Renaissance. Dit zijn al dan niet virtuele samenlevingen die niet centraal worden geleid, maar waar besluiten worden genomen op basis van lokale kennis en expertise.

Toen de Franse ingenieur LeGrand in de 19e eeuw de opdracht kreeg een spoorweg-netwerk aan te leggen, was het voor hem logisch dat alle lijnen in Parijs zouden eindigen. Het Franse spoor heeft nog steeds het schema van een ster, met de kern in Parijs. De Duitsers waren in die tijd veel minder geavanceerd – ze deden maar wat en beschikten over een ratjetoe aan lijnen. Toch won Bismarck de Frans-Pruisische oorlog van de jaren zeventig van die eeuw: hij was in staat zijn troepen, die met al die lijntjes en knooppunten gemakkelijk de kortste route konden nemen, veel sneller naar het front te verplaatsen dan de Franse legerleiders, die iedereen via Parijs moesten sturen.

In netwerkjargon heet dat gedistribueerde redundantie. Veel kleine weggetjes leiden naar hetzelfde doel.

De LeGrand-sterren beheersen nog steeds de besluitvorming in de meeste van onze overheden en bedrijven, waar soms, zegt Johnson, andere modellen veel meer effect zouden sorteren. De hoeveelheid data op grond waarvan beleidsmakers in overheid en bedrijven hun besluiten nemen, is niet te overzien. Juist dan is het niet handig dat deze besluitvorming zo gecentraliseerd verloopt. Rigide systemen die van bovenaf worden aangestuurd hebben veel meer moeite om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden en nieuwe eisen die de omgeving stelt. Als informatiestromen onbelemmerd hun loop kunnen vinden en besluiten op zo laag mogelijk niveau worden genomen, biedt dat elke organisatie meer kansen om te overleven in die snel veranderende omgeving.

Johnson is geen cyber-utopist. Zo zie ik mezelf ook niet. Maar met zijn analogie van het internet als een peer-network biedt hij wel een coherent wereldbeeld dat uitzicht biedt op de aanpak van sommige van onze meest dringende problemen.

En het mooie is: je hoeft geen vooruitgangsfetisjist te zijn om dagelijks een bijdrage te leveren aan het bewijs dat peer-networks werken: dat gebeurt namelijk elke keer als je een pagina van Wikipedia opslaat of een zoekresultaat van Google aantikt.

Foto: Brian Koprowski via Compfight

Disruptive innovation haalt nu ook het onderwijs

On focus...

Fascinerende blogpost van Clay Shirky over innovatie in het hoger onderwijs. Disruptive innovation, die al zoveel industrieën op hun kop heeft gezet,  trekt nu ook de fundamenten onder het hoger onderwijs weg. Via Mooc's (Massive Open Online Classes) volgen duizenden studenten colleges die op video zijn opgenomen, leggen ze proefwerken en tentamens af, en bestuderen ze schriftelijk materiaal.

Verstorende vernieuwing is het verschijnsel dat nieuwkomers in de markt een radicale vernieuwing voor een bestaand product presenteren, een vernieuwing die zodanig aanslaat dat zij de oude spelers en de oude producten volledig uit de markt verstoten. Zoals Shirky het omschrijft:

Once you see this pattern—a new story rearranging people’s sense of the possible, with the incumbents the last to know—you see it everywhere. First, the people running the old system don’t notice the change. When they do, they assume it’s minor. Then that it’s a niche. Then a fad. And by the time they understand that the world has actually changed, they’ve squandered most of the time they had to adapt.

Dit patroon was zichtbaar in de muziekindustrie, in de wereld van marketing en reclame, nieuws, detailhandel… in al deze sectoren (en nog veel meer) pogen traditionele spelers uit alle macht het hoofd boven water te houden terwijl ze zich de nieuwkomers van het lijf slaan.

De vernieuwing in het hoger onderwijs, zegt Shirky, komt van het online leren. En het interessante is dat het daar voormalige docenten zijn die hun prestigieuze universitaire broodheren zoals Stanford, Harvard en Yale hebben verlaten en het experiment zijn aangegaan om complete online cursussen aan te bieden. Zij bereiken, dankzij hun naam maar ook vanwege de kwaliteit van het aanbod, in een klap meer studenten dan al hun collega's bij elkaar.

Natuurlijk kun je de vraag stellen of studenten die een tentamen hebben gehaald via een Mooc net zo veel hebben geleerd als hun collega's die keurig lijfelijk aanwezig waren in de collegezalen en ook de werkgroepen hebben bijgewoond. De traditionalisten zullen met een voorspelbaar antwoord komen: vanzelfsprekend niet. Dat is onmogelijk. En ik denk inderdaad dat het beste van wat de universiteiten te bieden hebben ver uitstijgt boven de meest geavanceerde Mooc's.

Maar, betoogt Shirky (en ik ben dat met hem eens), dat is een oneerlijke vergelijking. Want dan vergelijk je het beste uit de twee categorieën met elkaar. In een eerlijke vergelijking pak je een gemiddelde collegereeks van een gemiddelde universiteit, en vergelijkt dat met een willekeurige reeks uit een van de vele Mooc's. En daarbij bieden de Mooc's een enorm voordeel: door hun openheid en transparantie kan er een feedback ontstaan waarmee de docent zijn voordeel kan doen. Kritiek op de aanpak van een cursus Statistiek heeft onmiddellijk geleid tot een herziening van dezelfde cursus.

Vergelijk dat met de praktijk aan veel universiteiten en HBO's waarbij docenten soms jarenlang kunnen doormodderen met verouderde methoden.

Het lijkt me dat ook buiten de traditionele onderwijsinstellingen de mogelijkheden van het online leren nog nauwelijks zijn doorgedrongen. Het principe van levenslang leren kan een stuk eenvoudiger worden toegepast als de student na een lange werkdag niet zijn warme huis hoeft te verlaten om in een kil klaslokaal naar een ongemotiveerde docent te luisteren. De Open Universiteit kan het zijn, maar dan in een veel laagdrempeliger variant.

Een kleine opsomming van de mogelijkheden die er nu al zijn:

Foto Elvin via Compfight

Europa, groei en innovatie

 

Visie op innovatie

Ik zag de afgelopen week een aantal berichten passeren over innovatie en hoe Europa hierin achterblijft. Ik ontwaarde in deze berichten een te mooie samenhang om hem hier niet aan te halen.

Het regeerakkoord

Het is voor mij off-topic, maar als oud-correspondent in Brussel kan ik het toch niet laten om een bericht te wijden aan de Europa-paragraaf in het gisteren gepubliceerde regeerakkoord (pdf). Ik heb de discussie rond de positie van Nederland in Europa met enige bevreemding gevolgd, omdat deze naar mijn idee voorbij gaat aan een paar fundamentele en eenvoudige waarheden:

  • problemen zijn steeds minder lokaal, en steeds vaker grensoverschrijdend:
    • criminaliteit
    • milieu
    • handel
    • fiscale stelsels
    • migratie
    • etc
      wat betekent dat internationale samenwerking noodzakelijk is om deze problemen aan te pakken
  • de VS is een homogene massamarkt, wat voor ondernemingen veel schaalvoordelen met zich meebrengt. De lidstaten van de EU zijn elk voor zich veel te klein om de concurrentie op wereldschaal aan te gaan
  • hoe je het ook wendt of keert, Europese landen hebben meer met elkaar gemeen (zelfs, bijvoorbeeld, de Zweden en de Grieken) dan elk van deze landen met de VS. Een gemeenschappelijke geschiedenis is een krachtige culturele verbindende factor

In het regeerakkoord wordt iets meer dan een pagina gewijd aan het Europese project. Die ene pagina ademt toch vooral de scepsis en de terughoudendheid die we de laatste jaren van onze politici gewend zijn geraakt.

Pessimisme over Europa

Bobbie Johnson, voormalig tech-correspondent van onder meer The Guardian en de BBC, is pessimistisch over de mogelijkheden van Europa om te innoveren. Hij zegt dat we ons in Europa te veel concentreren op de prestaties van Silicon Valley, en te weinig stil staan bij de mogelijkheden die Europa van zichzelf heeft. Ons verleden, onze gedeelde geschiedenis, beschouwen we niet als een creditpost waarmee we ons voordeel kunnen doen, maar als een last die als een molensteen om onze nek hangt. We proberen de succesfactoren van Sillicon Valley na te bootsen, en zijn hoe dan ook te weinig bezig met uit te vinden waar onze eigen mogelijkheden liggen.

Synthetische innovatie

Eerder deze week publiceerde Harvard Business Review een bericht waarin vraagtekens werden geplaatst bij de stelling dat de kosten van innovatie aan het dalen zijn. Op zich ligt de stelling voor de hand, omdat nieuwe technologie het steeds gemakkelijker maakt om met nieuwe producten de markt te domineren. Computers worden sneller en goedkoper, 3-d printers liggen in bijna ieders bereik… wat is er nog om een steeds snellere innovatie te stoppen? Veel, meent de auteur:

Technical complexity, social risk management (including lower tolerance for unintended consequences), diminishing returns, and talent challenges have all combined to raise the cost threshold of breakthrough innovation, even as downstream the costs of proliferation — reproducing, replicating, diffusing, disseminating, and indeed hacking innovation — have decreased. Think about the massive investments being made in innovation and R&D in the newly rich countries of Asia, like Singapore and China, and their struggles to produce truly groundbreaking innovation, and you will see the principle described above at work.

Uiteindelijk, zegt hij, liggen de mogelijkheden voor kleine ondernemingen en kleine landen niet in de kostbare innovatie en de dure R&D zoals die in de VS kan plaatsvinden. De achterblijvers moeten het zoeken in 'synthetische innovaties', waarbij de output van een innovatie van de eerste orde (bijvoorbeeld GPS-technologie) kan leiden tot een innovatie van de tweede orde (bijvoorbeeld de commerciële navigatiesystemen). Synthetisch innoveren is relatief goedkoop, weinig riskant, en potentieel zeer winstgevend.

De opdracht voor Frans Timmermans

TL;DR: Breek met de scepsis over Europa, accepteer dat onze toekomst daar ligt. En werk in Europees verband aan onze kracht: bouw aan een cultuur van open innovatie. Bouw aan een Europa dat:

could be the global innovation engine combining the best of both worlds [Azië en de VS, GJB], acting as a broker, facilitator and enabler between East and West. It does after all contain many of the right ingredients to support open innovation including diversity of opinions, intedepence, and decentralisation. Combine that with a central timezone, a very diverse population with global links, creative and financial hubs, why not seek to re-position Europe as the (open) innovation hub in a global innovation ecosystem?

 Ik heb Timmermans wel eens gesproken; hij komt op mij over als een man met een visie. Als hij nou ook nog de ruimte krijgt, komt het misschien toch nog goed met ons en Europa, en met ons en onze innovatie-agenda.

Schaf de abonnees af, promoveer ze tot leden

Voetballen

Ik moet toegeven dat ik altijd meesmuilend deed over mensen die melden: 'Ik ben al twintig jaar lid van de krant'.

"Meneer, u bent geen lid, u bent abonnee. Lid worden doet u maar van de voetbalclub en de omroep."

Gelukkig heb ik dat antwoord nooit gegeven, zeker niet omdat het lidmaatschap van een krant misschien helemaal zo'n gek idee niet is. Wat uitgevers meer dan ooit nodig hebben, is loyaliteit van hun klanten. En leden zijn volgens mij loyaler dan abonnees.

Dat is een marketingargument – en goede marketing wordt mogelijk gemaakt door goede producten en diensten. Dus als je zo'n lidmaatschap inhoud wil geven, dan zul je meer moeten bieden dan je nu je abonnees geeft.

Van een voetbalclub word je lid. Daarmee koop je het recht om mee te doen aan trainingen en wedstrijden. Maar wat misschien nog wel veel belangrijker is: je gaat deel uitmaken van een organisatie waarbij je je thuis voelt. Misschien wordt zo'n club zelfs wel een soort familie – je ziet je clubgenoten een paar keer per week, je deelt het verdriet van de nederlaag en het genot van de overwinning, je ziet elkaar naakt onder de douche,en na de wedstrijd neem je bij pils en bitterballen de week door.

Nou is dit geen pleidooi om de krant op eenzelfde manier te reorganiseren. Maar kranten zijn feitelijk al een tijdje bezig om hun abonnees te promoveren tot leden. Een lid van de Volkskrant krijgt 'm in de bus, natuurlijk, maar mag ook 

  • tegen een verlaagd tarief de allermooiste films op dvd aanschaffen
  • mooie wijnen uitkiezen in de wijnclub
  • op stap met correspondenten in bijvoorbeeld Turkije en Rusland

En waarom zou je dat dienstenpakket niet fors uitbreiden? Het lidmaatschap van de krant biedt vele voordelen:

  • korting op voorstellingen in schouwburg en muziekzaal
  • schrijfles van de eindredacteuren
  • debatavonden en lezingen van toonaangevende redacteuren
  • een cursus fotokijken van de fotoredactie
  • ruimhartige toegang tot digitale producties
  • korting op andere producten en diensten die worden geleverd door het conglomeraat waarvan de Volkskrant deel uitmaakt (De Persgroep)

Met een middagje brainstormen is dit lijstje uitgebreid tot honderd items, waarvan je er vijf in het eerste jaar gaat uitvoeren. En dat hoeft ook allemaal niet onder het eigen merk – met een paar pakkende nieuwe namen is er ook nog een mogelijkheid dat je een heel nieuwe doelgroep kunt interesseren voor je producten – waarna het stapje naar de krant wellicht niet zo groot meer is.

Dan kun je met recht zeggen: een abonnement? Dat is zo ouderwets. Wij bieden u een lidmaatschap aan!

Foto van Vramak

Journalisten moeten zelf commercieel leren denken

Dat redactionele manifest, waarover ik het in mijn vorige bericht had – als we duidelijk kunnen maken waarom we het nodig hebben, wordt het wellicht ook iets eenvoudiger om het eens te worden over de inhoud ervan.

Ter herinnering: het gaat er mij om dat de Nederlandse journalistiek ingedeeld kan worden in twee groepen: 'vernieuwers' en 'afwachters'. Tussen deze twee groepen gaapt een culturele afgrond.

De vernieuwers pleiten voor een veel actievere en snellere integratie van nieuwe journalistieke technieken en publicatievormen dan nu gebeurt. Ze willen profiteren van het feit dat hun publiek langs steeds meer andere kanalen het nieuws tot zich neemt, steeds minder trouw is aan de traditionele nieuwsmerken, en steeds meer op zoek is naar informatie die hun bereikt op het moment dat het hun uitkomt. Een handzame en wetenschappelijk verantwoorde samenvatting van deze ontwikkelingen vind je bij Nieman.

De afwachters vinden dat we met snelle innovatie een te groot risico lopen. Er wordt nog steeds veel geld verdiend met print. De huidige, traditionele consumenten raken van je vervreemd als je ze niet meer voldoende bedient met je papieren product. En digitale vernieuwing heeft zich in commercieel opzicht nog niet of nauwelijks bewezen, vinden ze.

Die kloof is naar mijn idee niet goed voor de journalistiek als ambacht, en ook niet goed voor de beroepsgroep als geheel. Het leidt ertoe dat de discussie over de journalistiek wordt gevoerd in twee kampen in plaats van in de beroepsgroep als geheel.

Over fundamentele, inhoudelijke journalistieke waarden bestaat in kringen van journalisten weinig discussie. De grote meerderheid van de Nederlandse vakbroeders en -zusters heeft het gezag van de Raad voor de Journalistiek geaccepteerd, en gebruikt de Leidraad  (pdf) als handleiding voor het eigen professionele handelen. Ik stel me zo voor dat we zouden moeten streven naar een gelijksoortige consensus over de niet zozeer de inhoud van het journalistieke ambacht, als wel over de organisatie daarvan. Daarom heb ik het ook niet over een 'journalistiek' maar een 'redactioneel' manifest. Het moet gaan over de manier waarop ons mooie vak in de toekomst kunnen blijven bedrijven op een economisch verstandige en journalistiek verantwoorde manier.

Als ik lees dat Newsweek wil overgaan op volledig digitale publicatie, en verneem van de onzekerheid over de toekomst van de Guardian, op papier en digitaal – dan denk ik dat het tijd wordt dat journalisten zich actiever gaan bemoeien met de manier waarop hun vak wordt georganiseerd. We moeten dat niet overlaten aan de uitgevers. Met alle respect voor dat nobele vak – uitgevers hebben voornamelijk verstand van geld verdienen, en niet zozeer van journalistiek. Journalisten moeten meer gaan nadenken over de toekomst van hun eigen vak.

Dat is de ratio achter mijn pleidooi voor een nieuw redactioneel manifest. Daarom is zo'n leidraad net zo hard nodig als die van de Raad voor de Journalistiek.