Ik vertrouw Google niet, maar Apple nog minder

Ik heb af en toe tamelijk verhitte discussies met mensen die zweren bij Apple. Het is wel een eenzijdige verhitting – het gebruik van willekeurig welke software of hardware is voor mij geen kwestie van religie, zoals het voor sommige anderen wel lijkt te zijn. Ik let toch vooral op wat praktisch is, op wat werkt en wat niet werkt.

En gek genoeg vind ik het belangrijker om aandacht te besteden aan hoe iets fout gaat, dan om te letten op wat er precies goed gaat. Als er twee producten zijn die allebei fouten vertonen, dan is voor mij een belangrijk criterium hoe die producten omgaan met hun fouten. Het product dat op elegante wijze struikelt, heeft bij mij tien strepen voor op het product dat valt, net doet of er niks aan de hand is, en fluitend weer zijn weg gaat.

Klinkt tamelijk raar, dat begrijp ik. Een concreet voorbeeld dan. Tot vorige week was ik de ongelukkige eigenaar van een Nokia N97 mini. Een apparaat dat een jaar of twee geleden op de markt kwam, en mij van begin af aan niks dan ellende bezorgde. Het was voor mij bijvoorbeeld bijna onmogelijk een telefoongesprek te beëindigen. Een telefoon aan het oor betekent dat het touchscreen disabled is – logisch, want anders zou elke aanraking met het oor tot ongewenste effecten leiden. Maar voordat de touchscreen weer reageerde op mijn aanrakingen, was ik bij wijze van spreke tientallen seconden verder. Niet handig. En vooral: wat ik ook veranderde in de instellingen, ik kon er niks aan doen. Zoektochten op internet leverden niks op. En dit was maar een van de vele klachten die ik over dit apparaatje had. En Nokia zelf? Gaf geen sjoege.

Ik heb nu een Samsung Galaxy S2. Wat een opluchting. Prachtig om te zien, snel, tjokvol hippe functies, niet te vergeten een uitgebreide Market waar ik allerlei uitbreidingen kan kopen of gratis kan krijgen.

Maar denk ik nu dat ik de hele leeftijd van dit apparaatje er net zo blij mee blijf als ik nu ben? Tuurlijk niet. Ik ben niet naïef. Ook dit ding zal struikelen, vastlopen, last krijgen van nukken en grillen. Maar het grote verschil is dat een simpele zoektocht naar de werking van Android, het installeren van deze of gene App, of de oorzaken van mogelijke fouten een waar mer à boire oplevert van wetenswaardigheden. Dat komt omdat Android in wezen een open systeem is – in tegenstelling tot de systemen van Nokia, Microsoft en Apple.

Zoals technologie altijd zal falen – volgens Cory Doctorow een wezenskenmerk van technologie: chaos ligt altijd op de loer – zo zijn ondernemingen nooit te vertrouwen. Zelfs niet Google. 'Don't be evil' is een lege kreet. Ondernemingen zijn uit op winst, dat is alles. Google net zo goed als Apple of Microsoft. Maar het grote verschil tussen Google en Apple is dat Google op een elegantere manier dan Apple de fout in gaat. Google's falen is controleerbaarder dan dat van Apple.

Apple, Google en Facebook zijn volgens mij de meest innovatieve ondernemingen van de afgelopen tien jaar. Ik bewonder ook – nog steeds – Microsoft en Amazon. Google's producten zijn niet mooier of beter dan die van de concurrentie – ik wantrouw Google slechts iets minder dan de rest. Als het moet, shop ik bij Amazon, post ik wat op Facebook, of gebruik ik software van Microsoft. Maar waar ik echt kan kiezen, heb ik het liefst Google.

De uitgevers leren het nooit

Een berichtje in de Wall Street Journal leert ons dat Apple en Google verwikkeld zijn in een hevige strijd om de gunst van de uitgevers. Het gaat erom wie de meeste publicaties in zijn online winkels (appstores) te koop kan aanbieden. De regelmatige lezer van mijn stukken weet dat ik geen fan ben van Apple – niet omdat de producten niet zouden deugen, maar omdat ik in het bedrijf uit Cupertino een van de grotere bedreigingen van het vrije internet zie.

Maar Google gaat nu ver om de uitgevers tegemoet te komen, anders dan Apple dat een bewonderenswaardige terughoudendheid aan de dag legt. Het gaat niet alleen om de centen. Volgens het stuk in de WSJ neemt Google genoegen met minder dan de 30 procent van de omzet die Apple in de regel vraagt aan de uitgevers. Dat is natuurlijk prima – de vrije markt op zijn best. Maar in de verdienmodellen van de uitgevers worden de neveninkomsten steeds belangrijker. Dat wil zeggen: het gaat ze niet alleen om de directe inkomsten die zijn te behalen door een abonnement te verkopen, maar ook om de gegevens die de klant tijdens zijn transactie met de uitgever over zichzelf nalaat. Het is commercieel relevante informatie dat onder de abonnees 35-jarige jonge moeders oververtegenwoordigd zijn.

Apple stelt zich tot nog toe terughoudend op en wil die informatie niet delen met de uitgevers. Apple kiest voor het opt-in systeem: je geeft je informatie niet vrij, tenzij je er apart toestemming voor geeft. De uitgevers vragen om het opt-out systeem: informatie wordt standaard vrijgegeven, tenzij je de toestemming expliciet onthoudt. En Google lijkt daarmee nu te willen instemmen. Jammer!

Ondertussen lijkt het erop dat de uitgevers nog niet willen begrijpen dat de tijden veranderd zijn. Consumenten vragen om transparantie en hebben er doorgaans een hekel aan te moeten ontdekken dat uitgevers langs slinkse wegen hun priv├ę-gegevens voor andere doeleinden aanwenden. De uitgevers bedrijven oud marketingbeleid. Dom.

Koude oorlog tussen Google en Facebook warmt op

Net mijn nieuwe column op vk.nl gepubliceerd. Gaat over strijd tussen Google en Facebook. Laatste pikt het beste personeel van Google in, Google antwoordt met loonsverhogingen en bonussen. Eerste weigert nog langer data te delen met Facebook, Facebook klautert om dit obstakel heen.

Leuk!

Maar misschien nog belangrijker: dit weerspiegelt de strijd om de relevantie op het web. Waar gaat het om? Zoeken of sociale netwerken? Zoeken zal naar mijn idee altijd belangrijk blijven, maar raakt wat van zijn dominantie kwijt. Enfin, voor het hele verhaal moet je bij de Volkskrant wezen.

Update 12-11-2010: grappig, Mashable besteedt aandacht aan hetzelfde onderwerp.

Gezocht: gezond alternatief voor Facebook en Google

 

Gezocht: gezond alternatief voor Facebook en Google
Er zit iets fundamenteel fout in ons online gedrag. We brengen een steeds groter deel van onze tijd door op netwerksites als Facebook en Hyves en zonder Google zijn we ernstig onthand. Met alle getwitter en gechat en zucht naar informatie staan we er echter nauwelijks bij stil dat we ons met huid en haar overleveren aan ondernemingen wier enige doel het is om winst te maken. 
Even een paar kleine statistieken. Facebook trekt inmiddels in de VS al meer bezoek dan Google, jarenlang de onbetwiste nummer een.  Het bedrijf heeft wereldwijd inmiddels 400 miljoen ingeschreven gebruikers; het kan daarmee bogen op een groter ‘bevolksingsaantal’ dan alle andere landen op China en India na. Een op de acht stellen in de VS heeft elkaar online, via sociale media, ontmoet.
Internetpubliciste Karin Spaink noemt de sociale media in een recente blogpost ‘een nieuw maatschappelijk middenveld’. Sociale media  spelen een centrale rol in het maatschappelijk debat, omdat ze per definitie worden gevuld door deelnemers aan dat debat. Spaink verhaalt hoe Facebook eind 2008 honderden foto’s verwijderde van vrouwen die borstvoeding gaven. Logisch, vanuit het perspectief van een puur commercieel redenerende onderneming: die wil een zo aantrekkelijk mogelijke omgeving creëren voor adverteerders. Facebook is een Amerikaans bedrijf, en opereert vanuit een samenleving die in een flink aantal opzichten behoorlijk veel preutser is dan wij gewend zijn. Maar zij stelt wel de terechte vraag wat onze grondwettelijke rechten op de vrije meningsuiting waard zijn als ze worden ingeperkt door commerciële overwegingen.
Sommige internetdenkers voeren deze redenering veel verder door. Zij stellen dat we voor onze sociale contacten in veel te hoge mate afhankelijk zijn geworden van moderne internettechnieken. Nicholas Carr schreef in een beroemd geworden artikel in de Atlantic Monthly dat ‘Google dom maakt’ – we kunnen het niet langer opbrengen om ons een uur of langer te concentreren op een tekst. Onze neurale paden worden door een overmatig gebruik van moderne informatietechnologie (het internet) verlegd en ingekort, en we kunnen het niet meer opbrengen om zelfstandig te denken. Die klacht doet een beetje denken aan wat Socrates 2500 jaar geleden al zei: het schrift, zei de oude wijsgeer tegen Phaedros, maakt mensen dom, omdat ze erop gaan vertrouwen en niet langer hun geheugen oefenen.
Natuurlijk zijn we afhankelijk geworden van internet, maar niet in meer of mindere mate dan we afhankelijk zijn van elektriciteit, stromend water en het riool. Zeer dus. Maar op die manier kweekt elke nieuwe technologie die op grote schaal wordt omarmd zijn eigen afhankelijkheid. Dat is het kenmerk van vooruitgang.
Zorgwekkender misschien is een ander type afhankelijkheid, waarover de Universiteit van Maryland in april van dit jaar een onderzoek publiceerde. De onderzoekers vroegen 200 studenten een etmaal lang niet te sms’en, twitteren of anderszins contacten te onderhouden via de sociale media. ‘In hun wereld betekent het leven zonder media feitelijk het leven zonder familie of vrienden’, aldus een van de onderzoekers. De studenten beschreven onthoudingsverschijnselen als angst, onbehagen en nervositeit.
Maar zelfs deze afhankelijkheid kan gerelativeerd worden met de opmerking dat we dezelfde emoties voelen als we geen gas, water en licht meer hebben. Sociale media en de technieken die deze mogelijk maken zijn simpelweg verworvenheden van de moderne tijd. Volgens mij heeft Karin Spaink precies de vinger op de zere plek gelegd. Het werkelijke probleem is dat op internet een paar ondernemingen feitelijk de dienst uitmaken en deze dus te veel macht krijgen. Stel dat Facebook of Google morgen omvallen, of besluiten ineens veel geld te vragen voor hun diensten; zo’n stap zou een enorme psychologische en economische klap zijn voor veel mensen.
En waar internet op andere terreinen een arena van overvloed is, hebben Facebook en Google niet veel te duchten van stevige concurrentie. Ze omspannen de wereld en genieten marktaandelen van tegen de 100 procent. Echte alternatieven zijn er niet. Het is hoog tijd dat die er komen. Feitelijk zijn de diensten die zij aanbieden nutsvoorzieningen geworden. Van oudsher zijn nutsvoorzieningen in handen van de overheid. Tegenwoordig zijn ze, in Nederland ten minste, grotendeels geprivatiseerd. De overheid zorgt dan wel, via de Nationale Mededingingsautoriteit NMA, voor een voldoende open markt waarin concurrentie een kans krijgt.
We hoeven voor de oplossing van ons afhankelijkheidsprobleem niet direct naar de overheid te kijken. Ik zie meer in open source. Zoals het besturingssysteem Linux inmiddels een behoorlijke doorn in de zij van Microsoft is, moet het vanuit de open-source gemeenschap toch ook mogelijk zijn om Google en Facebook-alternatieven op te zetten? Al is het maar uit een oogpunt van geestelijke volksgezondheid.

Er zit iets fundamenteel fout in ons online gedrag. We brengen een steeds groter deel van onze tijd door op netwerksites als Facebook en Hyves en zonder Google zijn we ernstig onthand. Met alle getwitter en gechat en zucht naar informatie staan we er echter nauwelijks bij stil dat we ons met huid en haar overleveren aan ondernemingen wier enige doel het is om winst te maken. 

Even een paar kleine statistieken. Facebook trekt inmiddels in de VS al meer bezoek dan Google, jarenlang de onbetwiste nummer een.  Het bedrijf heeft wereldwijd inmiddels 400 miljoen ingeschreven gebruikers; het kan daarmee bogen op een groter ‘bevolksingsaantal’ dan alle andere landen op China en India na. Een op de acht stellen in de VS heeft elkaar online, via sociale media, ontmoet.

Internetpubliciste Karin Spaink noemt de sociale media in een recente blogpost ‘een nieuw maatschappelijk middenveld’. Sociale media  spelen een centrale rol in het maatschappelijk debat, omdat ze per definitie worden gevuld door deelnemers aan dat debat. Spaink verhaalt hoe Facebook eind 2008 honderden foto’s verwijderde van vrouwen die borstvoeding gaven. Logisch, vanuit het perspectief van een puur commercieel redenerende onderneming: die wil een zo aantrekkelijk mogelijke omgeving creëren voor adverteerders. Facebook is een Amerikaans bedrijf, en opereert vanuit een samenleving die in een flink aantal opzichten behoorlijk veel preutser is dan wij gewend zijn. Maar zij stelt wel de terechte vraag wat onze grondwettelijke rechten op de vrije meningsuiting waard zijn als ze worden ingeperkt door commerciële overwegingen.

Sommige internetdenkers voeren deze redenering veel verder door. Zij stellen dat we voor onze sociale contacten in veel te hoge mate afhankelijk zijn geworden van moderne internettechnieken. Nicholas Carr schreef in een beroemd geworden artikel in de Atlantic Monthly dat ‘Google dom maakt’ – we kunnen het niet langer opbrengen om ons een uur of langer te concentreren op een tekst. Onze neurale paden worden door een overmatig gebruik van moderne informatietechnologie (het internet) verlegd en ingekort, en we kunnen het niet meer opbrengen om zelfstandig te denken. Die klacht doet een beetje denken aan wat Socrates 2500 jaar geleden al zei: het schrift, zei de oude wijsgeer tegen Phaedros, maakt mensen dom, omdat ze erop gaan vertrouwen en niet langer hun geheugen oefenen.

Natuurlijk zijn we afhankelijk geworden van internet, maar niet in meer of mindere mate dan we afhankelijk zijn van elektriciteit, stromend water en het riool. Zeer dus. Maar op die manier kweekt elke nieuwe technologie die op grote schaal wordt omarmd zijn eigen afhankelijkheid. Dat is het kenmerk van vooruitgang.

Zorgwekkender misschien is een ander type afhankelijkheid, waarover de Universiteit van Maryland in april van dit jaar een onderzoek publiceerde. De onderzoekers vroegen 200 studenten een etmaal lang niet te sms’en, twitteren of anderszins contacten te onderhouden via de sociale media. ‘In hun wereld betekent het leven zonder media feitelijk het leven zonder familie of vrienden’, aldus een van de onderzoekers. De studenten beschreven onthoudingsverschijnselen als angst, onbehagen en nervositeit.

Maar zelfs deze afhankelijkheid kan gerelativeerd worden met de opmerking dat we dezelfde emoties voelen als we geen gas, water en licht meer hebben. Sociale media en de technieken die deze mogelijk maken zijn simpelweg verworvenheden van de moderne tijd. Volgens mij heeft Karin Spaink precies de vinger op de zere plek gelegd. Het werkelijke probleem is dat op internet een paar ondernemingen feitelijk de dienst uitmaken en deze dus te veel macht krijgen. Stel dat Facebook of Google morgen omvallen, of besluiten ineens veel geld te vragen voor hun diensten; zo’n stap zou een enorme psychologische en economische klap zijn voor veel mensen.

En waar internet op andere terreinen een arena van overvloed is, hebben Facebook en Google niet veel te duchten van stevige concurrentie. Ze omspannen de wereld en genieten marktaandelen van tegen de 100 procent. Echte alternatieven zijn er niet. Het is hoog tijd dat die er komen. Feitelijk zijn de diensten die zij aanbieden nutsvoorzieningen geworden. Van oudsher zijn nutsvoorzieningen in handen van de overheid. Tegenwoordig zijn ze, in Nederland ten minste, grotendeels geprivatiseerd. De overheid zorgt dan wel, via de Nationale Mededingingsautoriteit NMA, voor een voldoende open markt waarin concurrentie een kans krijgt.

We hoeven voor de oplossing van ons afhankelijkheidsprobleem niet direct naar de overheid te kijken. Ik zie meer in open source. Zoals het besturingssysteem Linux inmiddels een behoorlijke doorn in de zij van Microsoft is, moet het vanuit de open-source gemeenschap toch ook mogelijk zijn om Google en Facebook-alternatieven op te zetten? Al is het maar uit een oogpunt van geestelijke volksgezondheid.

 

Vrome boosheid over Facebook en Google

 

Stel je voor: vanaf morgen kun je niet meer pinnen wegens ontoereikend saldo. Hoe kan dat? Je hebt net je salaris overgemaakt gekregen. Je belt met de bank, die je laconiek meedeelt dat je rekening helaas over de kredietlimiet is heengegaan. Je wilt aangifte doen van diefstal bij de politie, maar daarvoor moet je je legitimeren. Je wordt opgepakt, omdat je plotseling een strafblad van hier tot Tokio blijkt te hebben. Maar je hebt nog nooit een vlieg kwaad gedaan! Terwijl je in de cel overdenkt hoe het zover heeft kunnen komen, bereikt je het bericht van de executeur dat hij je huis in opdracht van de bank heeft verkocht.
Dit is in een notendop de plot van  de  klassieker The Net, die woensdagavond weer eens op de televisie te zien was. De film stamt uit 1995, maar speelt heel modern in op de angst van de moderne mens voor het verlies van zijn privacy, sterker nog, zijn identiteit. Het thema is actueel: we geven steeds meer van onszelf weg op allerlei sociale-netwerksites zoals Facebook, Hyves en LinkedIn. We hebben er geen probleem mee dat we ons cv aan iedereen ter inzage geven, we twitteren dat we nu eindelijk zijn vertrokken op die lang verdiende vakantie, en op de autostrada tussen Bologna en Florence laten we het thuisfront via Hyves en Flickr meegenieten van het uitzicht.
Dat al die informatie in verkeerde handen terecht kan komen, interesseert ons blijkbaar geen biet. Of toch wel? Facebook heeft de afgelopen weken zwaar onder vuur gelegen omdat het bedrijf ongevraagd vertrouwelijke gegevens openbaar maakte van de deelnemers. Google moest door het stof omdat het bij het maken van foto’s ten behoeve van zijn Streetview-dienst ook de onbeveiligde netwerkgegevens van alle woningen die het passeerde opsloeg.
De vraag is waar we ons nou eigenlijk precies boos om maken. Kennelijk heeft dat alles te maken met het gevoel van controle. Zodra je zelf blogt, twittert, foto’s en video’s publiceert, kan alles. Je hebt de keus om al dan niet te publiceren. Waar we boos over worden is het verlies van zeggenschap; als de instelling waar wij onze data aan toevertrouwen (of dat nou Google is of Facebook) daar al dan niet bewust onzorgvuldig mee omspringt.
Onze samenleving wordt steeds transparanter, niet alleen online, ook offline. Op elke straathoek hangen camera’s. Bedrijven monitoren het emailverkeer en het surfgedrag van hun werknemers, scholen doen hetzelfde met hun leerlingen. Onze telefoonleveranciers weten hoe lang we bellen, en met wie. Ze zijn zelfs verplicht om die gegevens enige tijd te bewaren en zo nodig aan de autoriteiten ter beschikking te stellen. Als we digitale televisie hebben, weet de kabelboer welke zender we kijken. Dat laten we toe, en niet alleen omdat het opgeven van onze privacy helpt om misdaad en terrorisme te bestrijden. We laten het ook toe omdat het ons economisch voordeel kan bieden: we geven met plezier onze privégegevens prijs als ons dat een extraatje oplevert, al is het maar een minimale kans op het winnen van een Suzuki.
De woede over het gedrag van Facebook en Google doet dan ook vroom en schijnheilig aan. Een mooie anekdote ter illustratie: Facebook biedt webmasters een ok-knopje aan dat ze op hun eigen site onder hun artikelen kunnen plaatsen. Met een klik geven bezoekers zo te kennen dat het artikel goed vinden en laten dat meteen al hun Facebook-contacten weten. Kijk wat er gebeurde toen ReadWriteWeb, een grote site voor web-enthousiasten, een artikel publiceerde waarin melding werd gemaakt van de trend dat veel mensen hun Facebook wilden opzeggen. Het Facebook-ok-knopje werd bijkans stukgeklikt.
Web 2.0 goeroe Tim O’Reilly, die op deze contradictie wees, zegt dat het de taak is van web-uitvinders als Facebook en Google om af en toe fouten te maken. Deze bedrijven zijn opgericht om diensten te ontwikkelen waarvan de gebruikers in eerste instantie niet eens wisten dat ze die nodig hadden, maar die vervolgens wel razend populair blijken te zijn. Soms gaan ze te ver, dan worden ze teruggefloten. Dit proces hoort bij innovatie en is verre te verkiezen boven de heimelijke afluisterpraktijken van sommige overheden.
O’Reilly gaat wat ver, naar mijn  mening; maar het is wel evident dat we nog lang niet genoeg hebben nagedacht over de grenzen van onze privacy in deze brave new world van het internet. En ergens vind ik dat toch veel belangrijker dan de vraag of een enkele hacker erin slaagt om in te breken in de stemcomputers die bij verkiezingen wordt gebruikt. Iedereen mag weten wat ik stem. Maar mijn bel-, kijk- en klikgedrag houd ik eigenlijk liever geheim.

Stel je voor: vanaf morgen kun je niet meer pinnen wegens ontoereikend saldo. Hoe kan dat? Je hebt net je salaris overgemaakt gekregen. Je belt met de bank, die je laconiek meedeelt dat je rekening helaas over de kredietlimiet is heengegaan. Je wilt aangifte doen van diefstal bij de politie, maar daarvoor moet je je legitimeren. Je wordt opgepakt, omdat je plotseling een strafblad van hier tot Tokio blijkt te hebben. Maar je hebt nog nooit een vlieg kwaad gedaan! Terwijl je in de cel overdenkt hoe het zover heeft kunnen komen, bereikt je het bericht van de executeur dat hij je huis in opdracht van de bank heeft verkocht.

Dit is in een notendop de plot van  de  klassieker The Net, die woensdagavond weer eens op de televisie te zien was. De film stamt uit 1995, maar speelt heel modern in op de angst van de moderne mens voor het verlies van zijn privacy, sterker nog, zijn identiteit. Het thema is actueel: we geven steeds meer van onszelf weg op allerlei sociale-netwerksites zoals Facebook, Hyves en LinkedIn. We hebben er geen probleem mee dat we ons cv aan iedereen ter inzage geven, we twitteren dat we nu eindelijk zijn vertrokken op die lang verdiende vakantie, en op de autostrada tussen Bologna en Florence laten we het thuisfront via Hyves en Flickr meegenieten van het uitzicht.

Dat al die informatie in verkeerde handen terecht kan komen, interesseert ons blijkbaar geen biet. Of toch wel? Facebook heeft de afgelopen weken zwaar onder vuur gelegen omdat het bedrijf ongevraagd vertrouwelijke gegevens openbaar maakte van de deelnemers. Google moest door het stof omdat het bij het maken van foto’s ten behoeve van zijn Streetview-dienst ook de onbeveiligde netwerkgegevens van alle woningen die het passeerde opsloeg.

De vraag is waar we ons nou eigenlijk precies boos om maken. Kennelijk heeft dat alles te maken met het gevoel van controle. Zodra je zelf blogt, twittert, foto’s en video’s publiceert, kan alles. Je hebt de keus om al dan niet te publiceren. Waar we boos over worden is het verlies van zeggenschap; als de instelling waar wij onze data aan toevertrouwen (of dat nou Google is of Facebook) daar al dan niet bewust onzorgvuldig mee omspringt.

Onze samenleving wordt steeds transparanter, niet alleen online, ook offline. Op elke straathoek hangen camera’s. Bedrijven monitoren het emailverkeer en het surfgedrag van hun werknemers, scholen doen hetzelfde met hun leerlingen. Onze telefoonleveranciers weten hoe lang we bellen, en met wie. Ze zijn zelfs verplicht om die gegevens enige tijd te bewaren en zo nodig aan de autoriteiten ter beschikking te stellen. Als we digitale televisie hebben, weet de kabelboer welke zender we kijken. Dat laten we toe, en niet alleen omdat het opgeven van onze privacy helpt om misdaad en terrorisme te bestrijden. We laten het ook toe omdat het ons economisch voordeel kan bieden: we geven met plezier onze privégegevens prijs als ons dat een extraatje oplevert, al is het maar een minimale kans op het winnen van een Suzuki.

De woede over het gedrag van Facebook en Google doet dan ook vroom en schijnheilig aan. Een mooie anekdote ter illustratie: Facebook biedt webmasters een ok-knopje aan dat ze op hun eigen site onder hun artikelen kunnen plaatsen. Met een klik geven bezoekers zo te kennen dat het artikel goed vinden en laten dat meteen al hun Facebook-contacten weten. Kijk wat er gebeurde toen ReadWriteWeb, een grote site voor web-enthousiasten, een artikel publiceerde waarin melding werd gemaakt van de trend dat veel mensen hun Facebook wilden opzeggen. Het Facebook-ok-knopje werd bijkans stukgeklikt.

Web 2.0 goeroe Tim O’Reilly, die op deze contradictie wees, zegt dat het de taak is van web-uitvinders als Facebook en Google om af en toe fouten te maken. Deze bedrijven zijn opgericht om diensten te ontwikkelen waarvan de gebruikers in eerste instantie niet eens wisten dat ze die nodig hadden, maar die vervolgens wel razend populair blijken te zijn. Soms gaan ze te ver, dan worden ze teruggefloten. Dit proces hoort bij innovatie en is verre te verkiezen boven de heimelijke afluisterpraktijken van sommige overheden.

O’Reilly gaat wat ver, naar mijn  mening; maar het is wel evident dat we nog lang niet genoeg hebben nagedacht over de grenzen van onze privacy in deze brave new world van het internet. En ergens vind ik dat toch veel belangrijker dan de vraag of een enkele hacker erin slaagt om in te breken in de stemcomputers die bij verkiezingen wordt gebruikt. Iedereen mag weten wat ik stem. Maar mijn bel-, kijk- en klikgedrag houd ik eigenlijk liever geheim.