Na de dood van de website

Mijn vorige post over de dood van de website liet ten minste een belangrijke vraag onbeantwoord, en schiep hier en daar onbedoeld verwarring. Handig dus om in deze follow-up verduidelijking te bieden, en een voorzet te doen voor de beantwoording van de openliggende vragen. De belangrijkste daarvan is: als de website zoals we die nu kennen zijn langste tijd heeft gehad, wat komt er dan daarna? Wie of wat is zijn opvolger?

Het is hoe dan ook handig om het begrip ‘website’ te preciseren. Een collega schreef me in een mail:

Voor mij is een website geen ‘ding’ op zich maar een combinatie van een lijst distributie-adressen met meer of minder redactionele curatie.

Daar heeft-ie natuurlijk gelijk in. Facebook is een website, net zoals Twitter, YouTube, Google, nytimes.com en vpro.nl. Achter de bijbehorende webadressen gaan meer of minder grote ondernemingen schuil, voor wie de website in de regel één van de vele, en vaak niet eens de belangrijkste, kanalen is waarmee ze hun al dan niet commerciële doel proberen te bereiken. Ze hebben ook apps voor mobiel en desktop, papieren kranten en televisieprogramma’s tot hun beschikking.

De website van de Baarnse bridgeclub blijft gewoon bestaan, net als Google een webadres blijft bieden om een zoekopdracht te kunnen doorgeven. En ook vpro.nl en volkskrant.nl zullen blijven bestaan. Maar die voorspellingen vind ik in deze context bijna triviaal. In mijn betoog wil ik een fundamenteel onderscheid maken tussen websites die worden gemaakt als onderdeel van een distributiestrategie voor content van professionele mediamakers (VPRO en Volkskrant) – dit noem ik voor het gemak maar even ‘mediasites’, en alle overige websites. Het gaat erom hoe de redacties van mediasites vorm en inhoud zo inrichten dat het publiek op de best mogelijke manier wordt bediend.

De kern van mijn betoog in een notendop: serieuze online journalistiek dreigt het onderspit te delven in het geweld dat de Buzzfeeds van deze wereld over het publiek uitstorten. Dit type grote contentfabrieken laat zich uitsluitend leiden door algoritmes; ze weten perfect waarnaar het publiek op zoek is en bedienen dit navenant. Vandaar de overmaat aan mediocre content op Facebook: de kattenfilmpjes en de top-tien lijstjes en het celebrity nieuws.

Omdat het publiek in meerderheid kiest voor wat ik dan toch maar, heel respectloos, bagger noem, wordt het voor producenten die het journalistieke ambacht serieus nemen, steeds moeilijker om op te vallen. De doorwrochte analyse over de Griekse schuldencrisis, waar je echt even  voor moet gaan zitten, legt het af tegen de top tien fails van celebrity-makeovers. Mikken op bereik wordt lastiger, en waar het wel lukt, levert het minder op omdat adverteerders door het enorme aanbod steeds minder hoeven te betalen om een groot publiek te bereiken.

De Guardian bijv, de uitgever die het meest van alle kwaliteitsmerken stuurt op een groot, wereldwijd bereik, heeft enorm last van de steeds dalende advertentietarieven. Die daling kan alleen worden gecompenseerd met een steeds groter bereik en uiteraard keert dan op enig moment de wal het schip. De groei van het bereik is eindig, zelfs in een groot taalgebied als het Engelse. Nummer twee heeft het nakijken, zoals meestal op het internet. En laten we dan maar zwijgen over de perspectieven van zo’n bereiksstrategie in kleinere taalgebieden als het Nederlandse.

De meeste uitgevers hebben niet zulke diepe zakken als de Guardian en kunnen zich de mega-investeringen niet veroorloven. Zij moeten hun online strategie radicaal aanpassen aan dit inzicht. Dat betekent níet dat ze het zich kunnen permitteren om sociale media links te laten liggen. Net als nu zullen ze hun best moeten blijven doen om het publiek zo goed mogelijk te attenderen op de verhalen die ze maken.

Dan de andere kant van de medaille: de thuisbasis, in de vorm van een website waarop een redactie haar verhalen gepubliceert. Die website heeft een homepage, die overigens, terecht, al eerder dood is verklaard. Het punt is namelijk dat de almachtige zoekmachine én de distributie via sociale media ervoor hebben gezorgd dat elke pagina een landingspagina kan zijn.

Elke pagina moet dus een etalage zijn waar zoveel mogelijk wordt doorverwezen naar de andere goede content die beschikbaar is. Nog meer afleidingen van het verhaal zelf dus. En vandaar mijn pleidooi: denk na over alternatieven. Welke andere mogelijkheden hebben we om onze productie zo effectief en mooi mogelijk voor  het voetlicht te brengen? Hoe verleiden we ons publiek om niet alleen te browsen en te snacken, maar ook daadwerkelijk te consumeren?

Door meer te gidsen. Door meer het hoofd aan te spreken en minder de buik. Door steviger te cureren. Door kortom, de lineariteit van een magazine of een krant als alternatief neer te zetten voor de chaos en onoverzichtelijkheid van een website.

Ik zou het een interessant experiment vinden om de volledige inhoud van de Guardian om te zetten in een longread zoals de VPRO die over Srebrenica heeft gemaakt (disclaimer – ik ben hoofd Digitaal van de VPRO). Andere vormen:

  • De prachtige productie van de Volkskrant over wereldsteden
  • NRC’s verhaal over Somalische piraten
  • Een longread van SBS over rassenrellen in Australië
  • Een online magazine van npogeschiedenis.nl op basis van de tv-serie De IJzeren Eeuw.

De lijst kan nog veel langer worden. Maar wat deze producties gemeen hebben: ze cureren. Ze gidsen. Ze leiden. Het zijn geen samenraapsels van verhalen zoals in de traditionele ‘dossiers’, maar prachtig en vaak innovatief vorm gegeven producties rondom één centraal thema.

Deze producties staan ‘op’ een website, in de zin dat ze een URL hebben. Maar ze ‘zijn’ geen website. Het is geen los samenraapsel van verhalen en producties die min of meer willekeurig aan elkaar worden gelinkt en die het aan de bezoeker overlaat hoe hij zijn weg door dit aanbod baant.

De uitdaging is uiteraard om te onderzoeken of we deze vorm ook kunnen gebruiken om de diversiteit van een medium-website te presenteren. Zo’n site gaat over cultuur, politiek, human interest, sport, economie, wetenschap – alle gebieden waarvan een betrokken en nieuwsgierige burger op de hoogte moet en wil blijven.

Journalistieke principes zijn leidend in vormgeving en presentatie. Relevantie, esthetiek, inhoudelijke kwaliteit op alle niveau’s, onderlinge samenhang, verwijzingen bepalen hoe het publiek deze publicatie ervaart.

De job van de webredacteur wordt ingewikkelder maar ook leuker. Hij of zij bepaalt elke keer opnieuw wat de waarde is van elke update die wordt aangeboden, en probeert die te passen in het gekozen schema. De uitgever en de hoofdredactie zien hun mogelijkheden groeien om een eigen stempel te drukken door de journalistieke keuzes die ze maken.

Welke vorm ook gekozen wordt, om succesvol te zijn moet-ie voldoen aan ten minste dit wensenlijstje (ongetwijfeld missen er zaken, vul het vooral aan):

  1. Ordening van verhalen gebaseerd op journalistieke relevantie (urgentie, nieuwswaarde, curatie, genre-indeling e.d.)
  2. Flexibel van opmaak om verschillende vormen op verschillende plekken toe te staan (de ‘opening’ kan in de ochtend een slideshow zijn, in de middag een tekstuele analyse, ’s avonds een video)
  3. Duidelijke signaalfunctie naar eindgebruikers over updates en nieuwe content (als journalistieke relevantie leidend is, kan nieuwere content die net wat minder relevant is, soms verborgen zijn onder/achter oudere verhalen)
  4. Platform biedt volledige multimediale ondersteuning
  5. Platform is open voor distributie op item-niveau (afzonderlijke producties kunnen gemakkelijk gevonden/aangelinkt worden van binnen of buiten de site)
  6. Platform biedt een api voor distributie door derde partijen

Kortom: de ideale vorm van de nieuwe mediumsite combineert het journalistieke leiderschap en de gidsfunctie van de oude krant met de veelzijdigheid en de distributiekracht van het web.

 

De dood van de website

Het web heeft de vrijheid van meningsuiting geëmancipeerd – wie slim is, kan voor een dubbeltje een miljoenenpubliek bereiken. Hij hoeft niet meer te investeren in dure drukpersen of opnameapparatuur en zendmasten; hij hoeft slechts tijd en aandacht te besteden aan het unieke verhaal, dat het publiek wil lezen, horen of zien.

Maar de mogelijkheid creëert de noodzaak. Het feit dat het kán, een miljoenenpubliek bereiken, betekent dat het ook moet – want als het jou niet lukt, zijn er anderen die er wel in slagen en die alle aandacht naar zich toe trekken. Het verhaal moet steeds ‘unieker’ worden, zich steeds meer onderscheiden van de miljoenen roddels, poezenfilmpjes en onzinnige lijstjes waardoor de doorsnee-surfer zich laat verleiden. Wie middle-of-the-road content publiceert, leidt een bestaan in de marge. Alleen de Buzzfeeds van deze wereld kunnen aan die wetmatigheid ontkomen.

Dit wordt een lange post. Het gaat eigenlijk over twee dingen: over hoe algoritmes onze mediaconsumptie beginnen te bepalen, en over de tegenbeweging die op gang komt en die, denk ik zo, het einde kan inluiden van de mediawebsite zoals we die kennen. Die moeten zich aanpassen of ten onder gaan.

Maar eerst over het algoritme.

Goede artikelen, verhalen, programma’s zijn niet gratis – misschien wel voor het publiek, maar niet voor de bedenker en uitvoerder. Die besteedt er tijd en aandacht aan, doet research, en gaat ervoor zitten om zijn verhaal zo goed mogelijk te vertellen. Als de bedenker in dienst is van een uitgever, krijgt-ie een salaris. Als de verteller freelancer is, hoopt-ie dat zijn verhalen de aandacht van de markt op hem vestigen, of misschien wel dat adverteerders interesse gaan tonen.

Maar hoe dan ook, ergens moet betaald worden voor de kwaliteit die wordt geleverd. Voor veel mediahuizen (die brede term dekt het best de lading: het gaat hier over krantenuitgevers, maar ook over omroepen: het gaat over alle personen, bedrijven en instellingen die uit het vertellen van verhalen en het maken van media hun inkomsten halen) – voor veel mediahuizen dus is het halen van een groot bereik de enige manier om de investering in kwaliteit terug te verdienen. Bereik namelijk levert de belangstelling en de euro’s van adverteerders op.

Maar goede content alleen is niet genoeg. Want het web is groot, en jouw verhaal, hoe mooi ook, is er een van honderden, duizenden die in de afgelopen minuut zijn gepubliceerd. Dus om bereik te creëren, ben je ook afhankelijk van je netwerk, de mensen die je kent, en die je persoonlijk kunt attenderen op het moois dat je hebt geproduceerd. Het web biedt ook de tools voor dit netwerk: Google en Facebook faciliteren jouw distributie. Deze partijen nemen de keuzestress weg van het consumerend publiek en laten algoritmes bepalen wat je zou moeten lezen, luisteren of kijken. Dankzij deze algoritmes en de distributed content zijn Buzzfeed, Politico en Huffington Post groot geworden.

Het nadeel hiervan is uiteraard dat je je voor je succes afhankelijk maakt van de algoritmes die externe partijen opstellen. Die hebben hun eigen belang, dat niet altijd spoort met het jouwe. Los daarvan is een ding zeker: het algoritme dat bepaalt welke content waar te zien is, is op zijn best een hulpmiddel bij de redactievoering, en op zijn slechtst een armzalig substituut voor menselijke curatie.

Algoritmes bestaan uit scripts, software die door programmeurs wordt gemaakt. Ingewikkeld zijn die scripts niet: die bepalen simpelweg, op basis van vooraf opgestelde regels, wat aan wie wordt getoond. Zo’n regel kan zijn dat tachtig procent van de mannen met een HBO-opleiding, die in een stedelijk gebied wonen, reisadvertenties aanklikken mits er een foto van een dame in bikini bij wordt getoond. Het script weet dat bezoeker A voldoet aan die omschrijving en toont dus de reisadvertentie.

Deze algoritmes werken bij de gratie van big data. Software heeft data nodig om de relatie te kunnen leggen tussen bijvoorbeeld geslacht, opleiding, woonomgeving en content:

  • Welk publiek is geïnteresseerd; niet alleen de totalen, maar liefst ook onderverdeeld in doelgroepen en interessegebieden.
  • Op welk moment van de dag wordt welke content het best bekeken?
  • En op welk platform?
  • En wat is de herkomst van de bezoeker (welke link heeft hij aangeklikt om op deze pagina te komen?)
  • Waar gaat hij naartoe als hij klaar is met zijn bezoek?

Don Tapscott, een econoom die zich heeft gespecialiseerd in de economie van het web, ziet hierin een wezenlijk probleem. Drie jaar geleden zei hij in een vraaggesprek met Clay Shirky in The Atlantic:

Sure, Big Data, business intelligence, and next-generation analytics can help deliver more effective targeted communications to customers. And with detailed individual knowledge we can deliver better, personalized value (products and services) to them. But in many ways this is just fine-tuning of the old paradigm in marketing where companies deliver messages and value–one-way–to passive recipients. It’s just an extension of the broadcasting model of marketing: Customers are inert, and the goal is a transaction and not a relationship.

The much bigger opportunity for businesses is to go beyond targeting customers to engaging with them: from customer centricity to customer co-creation; from focusing on customers to co-innovating with them; from mass customization to mass collaboration.

Wat Tapscott hier feitelijk beweert, is dat de bedrijven en instellingen die hun toevlucht nemen tot big data als marketing tool, langs een ander belangrijk kenmerk gaan van de moderne netwerkmaatschappij: dat het publiek niet langer uitsluitend als doelgroep gezien wil worden die vooral consumeert, maar in toenemende mate ook wil deelnemen en co-creëren.

Voor een deel praat Tapscott hier onzin. Het succes van Buzzfeed bewijst dat een groot publiek het prima vindt om zijn avond door te brengen met de rommel die de algoritmes produceren. Maar tegelijk zijn er tekenen zichtbaar die wijzen op in ieder geval een gedeeltelijk gelijk van Tapscott. Het kritische deel van het publiek heeft genoeg van de bagger en gaat actief op zoek naar kwaliteit. Dit kritische deel wil niet per se naar de mond worden gepraat, maar wil ook uitgedaagd worden door deskundige, betrokken en vooral authentieke persoonlijkheden; geen algoritmes, maar mensen van vlees en bloed.

Hier liggen kansen voor redacties. We zien het in de terugkeer van de geredigeerde content bij Apple Music. Volgens Business Insider:

But Apple is placing a big bet on human editors with a strong knowledge and love of music. The idea is that these human editors, like the radio DJs of yesteryear, will help turn Apple Music into a great way to discover new music.

Zelfs Facebook nuanceert de kracht van zijn eigen algoritmes. En in de New York Times wordt een verhaal op die prachtige site over media The Awl geciteerd onder de titel ‘The next Internet is TV‘- ook al een pleidooi voor de menselijke maat en tegen het algoritme.  Waarmee ik op de titel van dit essay kom: de dood van de website.

Het probleem met websites van mediahuizen (die het dus moeten hebben van originele, kwalitatief goede en authentieke content), is dat het format van websites zich niet erg goed leent voor het maken van redactionele keuzes en het aanbrengen van een duidelijke hiërarchie. Het wezen van het web is het netwerk van content. Verhalen, foto’s, video’s, audio verwijzen naar elkaar door links. Een gemiddelde webpagina van een site als die van de Volkskrant bevat honderden linkjes; evenzovele uitnodigingen aan de bezoeker om weg te klikken. Ze kunnen zelfs geïnterpreteerd worden als boodschappen: de content hier, op deze pagina, doet er niet veel toe; klik maar weg en zoek je heil elders.

Wie een website bezoekt, gebruikt zijn buik minstens zoveel als zijn hoofd. De afleiding is er; de verleiding om te klikken in plaats van te lezen is groot. Het gebruik is niet lineair maar enigszins chaotisch; de psychologie is eerder intuïtief dan rationeel. Een nieuwssite verhoudt zich tot de krant als Spotify tot een radioprogramma. Er is veel keuze en dat is prettig; maar het is moeilijk om te gidsen – en als er gegidst wordt, gebeurt dat weer steeds meer door algoritmes.

Daarom denk ik dat redacties goed moeten nadenken of hun digitale inspanningen nog wel zo op websites gericht moeten zijn. Misschien moeten ze zich buigen over andere vormen, waarin de bezoeker veel meer bij de hand wordt genomen. Hij wordt geleid door redactionele keuzes; deskundigen bepalen de hiërarchie, bereiden verrassingen voor, presenteren nieuwe ontdekkingen, en gebruiken hun vakmanschap om inhoud en presentatie te optimaliseren.

Ook binnen zo’n aanpak blijft er ruimte voor het algoritme; maar op de achtergrond, als hulpmiddel voor redacties in plaats van leidraad voor bezoekers. En juist binnen zo’n aanpak kan serendipiteit hoogtij vieren, kan de bezoeker zich laten verrassen, en kunnen redacties het verloren terrein terug winnen.

Als dat klopt, zijn de websites die het moeten hebben van hun originele content, volledig passé. Zij zullen op zoek gaan naar nieuwe vormen; van online magazines tot online radio, van videokanalen met een vaste programmering tot afgeronde longreads die lineair ‘genuttigd’ kunnen worden.

Lessen van SxSW

De afgelopen week was ik op het mega muziek-film-online festival South by SouthWest (beter bekend als SxSW) in Austin, Texas. Was er een newby – voor de zzp’er die ik tot vorig jaar was, vond ik het een iets te prijzige investering. En voor zo’n newby als ik is SxSW best groot en onoverzichtelijk. 30 duizend gasten, van wie je velen eigenlijk wel zou moeten kennen (of moeten willen kennen), vele honderden panel sessies, keynotes, forumdiscussies, en maar 24 uur in een dag.

Eerdere edities van SxSW zagen de geboorte van bekende namen als Twitter en Instagram, die allebei in Austin werden gelanceerd. Als ik mijn geld op een partij zou moeten zetten die eenzelfde komeetachtige carrière tegemoet kan zien, dan is het Meerkat. Een app, twee weken oud en op dit moment alleen nog beschikbaar voor iOS, waarmee je je mobiele telefoon omzet in een camera die live kan streamen naar het publiek. Een van mijn collega’s maakte er al gebruik van in een sessie over muziek op tv, en rapporteerde later trots dat hij meer dan zeventig kijkers naar zijn live stream had genoteerd.

Dat lijkt natuurlijk niet veel, en is ook niet veel, maar de app heeft een grote potentie en kan zomaar de wijze van live verslaggeving van grote evenementen gaan beïnvloeden. Van sportwedstrijden tot concerten, demonstraties tot persconferenties: iedereen kan zijn publiek onmiddellijk op de hoogte stellen van wat er gaande is, real time en live.  Politico voorziet zelfs een ‘gamechanger’ voor de campagnes van de presidentsverkiezingen in 2016.

SxSW is een plek voor netwerkers, marketeers en brand managers – je wordt er geïnspireerd en het is prettig om je prioriteiten weer eens goed op een rij te krijgen. Nummer een in die lijst: digital first. Alles is online. Daar is het publiek te winnen, en dus win je daar de oorlog. Alle andere platforms zijn ondersteunend.

Bij andere leden van onze delegatie uit de publieke omroep, en ook bij mij, ontstaan wel zorgen over de strijd om de kwaliteit. Die dreigt verloren te gaan, als we Buzzfeed moeten geloven. Deze producent (200 miljoen maandelijkse unieke bezoekers) van schattige kattenfilmpjes en top-tien lijsten van yogatechnieken en is wereldwijd een van de populairste sites voor content – ver boven traditionele mediabedrijven als CNN of de New York Times. De Buzzfeed presentatie tijdens SxSW ging niet over hoe je content maakt, maar hoe je content selecteert: hoe je publiek laat bepalen waar jij over bericht.

Een andere belangrijke les van Buzzfeed: distributie interesseert ze niet. Dat wil zeggen: content staat voorop, en ze hoeven niet per se zelf de controle te hebben over het distributiekanaal. Follow the audience, is de leidraad. Plaats de content daar waar het publiek is. De eigen website is secundair, sociale media leiden. Van YouTube tot Facebook, virale actie is het enige dat telt.

Een andere rode draad in het weefsel van de hipsters van Austin, is VR, virtual reality. Nu Sony, HTC, Google, Samsung, Facebook, Microsoft (afwezig nog in dit rijtje: Apple!) allemaal in de productie van de hardware zijn gestapt, beginnen de creatievelingen zich te roeren. Zoals de baas van Arte zei: ‘We zitten nu nog in het stadium van jaar 2 van de stomme film. Het publiek zegt oh en ah tegen de nieuwe techniek, maar wat we ermee maken is nog niet echt Oscarwinnend materiaal.’ Dat beschouwen hij en vele anderen die we erover zagen spreken als belangrijkste prioriteit: het bedenken van een nieuwe beeldentaal om in en met VR onze verhalen te vertellen.

Ten slotte: was het de moeite waard? Ja.

Wat hebben we ervandaan gehaald? Inspiratie, een steviger netwerk, en een handvol ideeën.

Zijn andere conferenties niet net zo goed? Jawel, sommige zijn zelfs beter als je puur voor de inhoud gaat. Maar daar lopen minder belangrijke mensen rond.

Swartz, Manning en MegaUpload: de angstige overheid

We are among you… And we are manySoms begrijp ik mezelf niet. Waarom hield ik in november mijn hart vast voor een overwinning van Mitt Romney bij de Amerikaanse verkiezingen, en was ik opgelucht dat Obama zijn tweede termijn won? Eigenlijk geen idee. Want de president die op het moment van schrijven zijn her-inauguratie viert, is op een aantal terreinen geen haar beter dan zijn voorganger, de geminachte George W. Bush.

De staat hoort geen onbeperkte macht te hebben. De Amerikanen zijn sociaal en economisch zo liberaal zijn en moeten niets van staatsbemoeienis hebben. Maar nu houden ze hun monden gesloten bij een aantal ernstige aantastingen van de burgerrechten, waaraan Obama geen einde heeft willen maken.

Neem Bradley Manning, de soldaat die ervan verdacht wordt de bron te zijn achter Wikileaks. De omstandigheden waaronder hij nu al bijna drie jaar vast zit, zonder dat hij is veroordeeld, hebben tot internationale protesten geleid. Aan dovemansoren gericht.

Neem MegaUpload, de NieuwZeelandse website voor het delen van bestanden, die zonder vorm van proces door de FBI uit de lucht werd gehaald, en waarvan de eigenaren maandenlang vast hebben gezeten. Onterecht, naar het oordeel van de NieuwZeelandse rechter. De FBI had geen spoor van bewijs.

Of neem Aaron Swartz, de programmeur en strijder voor het vrije internet, die door justitie werd vervolgd wegens onder andere het inbreken op computers van het MIT. Swartz wilde wetenschappelijke documenten uit MIT’s bibliotheek vrij beschikbaar maken. Diefstal, meende de aanklager, en dreigde met dertig jaar cel. Swartz kon de druk niet aan en pleegde begin deze maand zelfmoord.

Er is een oppervlakkige overeenkomst tussen deze zaken, en eentje die dieper gaat. De oppervlakkige overeenkomst is de veel te grote vrijheid die de Amerikaanse justitie heeft om aanklachten in te dienen en vervolging in te stellen.

De diepere overeenkomst: een Amerikaanse overheid die doodsbenauwd is om de controle kwijt te raken over het internet. Ik kan het niet beter zeggen dan de Guardian gisteren deed in een commentaar:

What has happened, in fact, is that governments which since 9/11 have presided over the morphing of their democracies into national security states have realised that the internet represents a truly radical challenge to their authority, and they are absolutely determined to control it. They don’t declare this as their intention, of course, but instead talk up “grave” threats – cybercrime, piracy and (of course) child pornography – as rationales for their action. But, in the end, this is now all about control.

Foto: Randi Scott via Compfight

De perfecte toekomst binnen handbereik

The Rail Yard [Explored] Ik ben een vooruitgangsfetisjist. Ik geloof dat de wereld dag na dag, jaar na jaar, eeuw na eeuw steeds een klein beetje beter wordt. Ik vertaal dat in termen van emancipatie: wij mensen verbeteren ons leven door ons geleidelijk aan steeds meer vrij te maken van restricties die van buitenaf worden opgelegd. Technische vooruitgang bevrijdt ons van de beperkingen van de natuur, politieke en sociale emancipatie ontdoen ons van onze maatschappelijke ketenen.

Uiteraard sluit ik mijn ogen niet voor alle gruwelijkheden die dagelijks overal op de wereld plaatsvinden en die je kunnen doen twijfelen aan de menselijke progressie. Maar toch heb ik de sterke neiging om die gruwelijkheden te beschouwen als krassen in een lijn die, over het geheel, een opwaartse trend van bevrijding laat zien.

Dit ingebakken optimisme is niet heel erg in de mode, geloof ik. Het is trending om somber te zijn, cynisch en pessimistisch. Niet veel mensen geloven tegenwoordig in een toekomst waarin honger niet meer bestaat, oorlog een anomalie is, en de grote meerderheid van de wereldbevolking zelf zijn leven kan bepalen. Want van wie zouden de oplossingen voor de problemen van maatschappij, milieu, gezondheid en politiek moeten komen? Het geloof in de maakbare samenleving is stuk, de overheid is machteloos, grote ondernemingen willen slechts hun aandeelhouders tevreden stellen, het onderwijs lijkt niet meer over de energie te beschikken, en over het morele failliet van religie is genoeg gesproken.

Toch volstaat een kleine blik op de cijfers om het ongelijk van de pessimisten aan te tonen. Op praktisch alle gebieden (sociaal, economisch, politiek) is er sprake van vooruitgang in de meeste wezenlijke indicatoren. De gemiddelde levensverwachting is de afgelopen honderd jaar verdubbeld, het aantal mensen dat in extreme armoede leeft is gehalveerd. Een mooie samenvatting geeft Hans Rosling in deze beroemde Ted Talk:

Steven Johnson, de Amerikaanse auteur van onder andere ‘Where do good ideas come from‘, heeft een nieuw boek gepubliceerd waarin hij antwoord geeft op de vraag waar de nieuwe impuls van menselijke emancipatie vandaan moet komen. In ‘Future Perfect‘ vestigt hij zijn hoop op het stelsel van netwerken van ‘gelijkgestemden’ (peer network is de Engelse term, waarvoor ik nog geen adequate vertaling heb gevonden). Hij beschouwt het internet niet als een panacee, maar als een model. De Zeven Provinciën zijn ook zo’n model, net als de Italiaanse stads-staten van de Renaissance. Dit zijn al dan niet virtuele samenlevingen die niet centraal worden geleid, maar waar besluiten worden genomen op basis van lokale kennis en expertise.

Toen de Franse ingenieur LeGrand in de 19e eeuw de opdracht kreeg een spoorweg-netwerk aan te leggen, was het voor hem logisch dat alle lijnen in Parijs zouden eindigen. Het Franse spoor heeft nog steeds het schema van een ster, met de kern in Parijs. De Duitsers waren in die tijd veel minder geavanceerd – ze deden maar wat en beschikten over een ratjetoe aan lijnen. Toch won Bismarck de Frans-Pruisische oorlog van de jaren zeventig van die eeuw: hij was in staat zijn troepen, die met al die lijntjes en knooppunten gemakkelijk de kortste route konden nemen, veel sneller naar het front te verplaatsen dan de Franse legerleiders, die iedereen via Parijs moesten sturen.

In netwerkjargon heet dat gedistribueerde redundantie. Veel kleine weggetjes leiden naar hetzelfde doel.

De LeGrand-sterren beheersen nog steeds de besluitvorming in de meeste van onze overheden en bedrijven, waar soms, zegt Johnson, andere modellen veel meer effect zouden sorteren. De hoeveelheid data op grond waarvan beleidsmakers in overheid en bedrijven hun besluiten nemen, is niet te overzien. Juist dan is het niet handig dat deze besluitvorming zo gecentraliseerd verloopt. Rigide systemen die van bovenaf worden aangestuurd hebben veel meer moeite om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden en nieuwe eisen die de omgeving stelt. Als informatiestromen onbelemmerd hun loop kunnen vinden en besluiten op zo laag mogelijk niveau worden genomen, biedt dat elke organisatie meer kansen om te overleven in die snel veranderende omgeving.

Johnson is geen cyber-utopist. Zo zie ik mezelf ook niet. Maar met zijn analogie van het internet als een peer-network biedt hij wel een coherent wereldbeeld dat uitzicht biedt op de aanpak van sommige van onze meest dringende problemen.

En het mooie is: je hoeft geen vooruitgangsfetisjist te zijn om dagelijks een bijdrage te leveren aan het bewijs dat peer-networks werken: dat gebeurt namelijk elke keer als je een pagina van Wikipedia opslaat of een zoekresultaat van Google aantikt.

Foto: Brian Koprowski via Compfight

Disruptive innovation haalt nu ook het onderwijs

On focus...

Fascinerende blogpost van Clay Shirky over innovatie in het hoger onderwijs. Disruptive innovation, die al zoveel industrieën op hun kop heeft gezet,  trekt nu ook de fundamenten onder het hoger onderwijs weg. Via Mooc's (Massive Open Online Classes) volgen duizenden studenten colleges die op video zijn opgenomen, leggen ze proefwerken en tentamens af, en bestuderen ze schriftelijk materiaal.

Verstorende vernieuwing is het verschijnsel dat nieuwkomers in de markt een radicale vernieuwing voor een bestaand product presenteren, een vernieuwing die zodanig aanslaat dat zij de oude spelers en de oude producten volledig uit de markt verstoten. Zoals Shirky het omschrijft:

Once you see this pattern—a new story rearranging people’s sense of the possible, with the incumbents the last to know—you see it everywhere. First, the people running the old system don’t notice the change. When they do, they assume it’s minor. Then that it’s a niche. Then a fad. And by the time they understand that the world has actually changed, they’ve squandered most of the time they had to adapt.

Dit patroon was zichtbaar in de muziekindustrie, in de wereld van marketing en reclame, nieuws, detailhandel… in al deze sectoren (en nog veel meer) pogen traditionele spelers uit alle macht het hoofd boven water te houden terwijl ze zich de nieuwkomers van het lijf slaan.

De vernieuwing in het hoger onderwijs, zegt Shirky, komt van het online leren. En het interessante is dat het daar voormalige docenten zijn die hun prestigieuze universitaire broodheren zoals Stanford, Harvard en Yale hebben verlaten en het experiment zijn aangegaan om complete online cursussen aan te bieden. Zij bereiken, dankzij hun naam maar ook vanwege de kwaliteit van het aanbod, in een klap meer studenten dan al hun collega's bij elkaar.

Natuurlijk kun je de vraag stellen of studenten die een tentamen hebben gehaald via een Mooc net zo veel hebben geleerd als hun collega's die keurig lijfelijk aanwezig waren in de collegezalen en ook de werkgroepen hebben bijgewoond. De traditionalisten zullen met een voorspelbaar antwoord komen: vanzelfsprekend niet. Dat is onmogelijk. En ik denk inderdaad dat het beste van wat de universiteiten te bieden hebben ver uitstijgt boven de meest geavanceerde Mooc's.

Maar, betoogt Shirky (en ik ben dat met hem eens), dat is een oneerlijke vergelijking. Want dan vergelijk je het beste uit de twee categorieën met elkaar. In een eerlijke vergelijking pak je een gemiddelde collegereeks van een gemiddelde universiteit, en vergelijkt dat met een willekeurige reeks uit een van de vele Mooc's. En daarbij bieden de Mooc's een enorm voordeel: door hun openheid en transparantie kan er een feedback ontstaan waarmee de docent zijn voordeel kan doen. Kritiek op de aanpak van een cursus Statistiek heeft onmiddellijk geleid tot een herziening van dezelfde cursus.

Vergelijk dat met de praktijk aan veel universiteiten en HBO's waarbij docenten soms jarenlang kunnen doormodderen met verouderde methoden.

Het lijkt me dat ook buiten de traditionele onderwijsinstellingen de mogelijkheden van het online leren nog nauwelijks zijn doorgedrongen. Het principe van levenslang leren kan een stuk eenvoudiger worden toegepast als de student na een lange werkdag niet zijn warme huis hoeft te verlaten om in een kil klaslokaal naar een ongemotiveerde docent te luisteren. De Open Universiteit kan het zijn, maar dan in een veel laagdrempeliger variant.

Een kleine opsomming van de mogelijkheden die er nu al zijn:

Foto Elvin via Compfight

Anonymous is het RaRa van de 21e eeuw

Volkskrant-interview met twee Anonymous-leden

Intrigerend verhaal in de Volkskrant vandaag over Anonymous, de amorfe groep hackers die de afgelopen jaren van zich deed spreken in de discussies rond Wikileaks. Van de ondertitel in het screenshot van hiernaast, zo blijkt uit het stuk, klopt helemaal niets. Anonymous was van alles, maar in geen geval een organisatie van gelijkgestemden. Dat bleek vorig jaar natuurlijk al bij de afsplitsing van Lulzsec.

De Volkskrant interviewde Parmy Olson, bureauchef van Forbes in Londen, die een jaar lang onderzoek heeft gedaan naar de hackersgroep. Haar belangrijkste conclusie: het belang van Anonymous wordt overschat. Zo luidt ook de kop boven het verhaal. Maar dat lijkt me iets te kort door de bocht. Olson baseert deze uitspraak op haar waarneming dat Anonymous slecht georganiseerd is (wat wel geheel in stijl van de ideologie is natuurlijk) en de aanvallen slecht worden voorbereid. Anonymous als geheel is 'een groep waarin niemand voor honderd procent te vertrouwen is en waarin de leden niet alleen de buitenwereld, maar ook elkaar manipuleren'.

Een intrigerende uitspraak weliswaar, maar in ieder geval niet eentje waaruit je het belang (of het ontbreken ervan) van Anonymous kunt afleiden. Anonymous is volgens mij wel degelijk van groot belang geweest. Anonymous is het RaRa van de 21e eeuw, de mobilisator van online onvrede met machtige economische, politieke en maatschappelijke actoren. Anonymous voert een guerrillastrijd met moderne middelen. In plaats van brandbommen en explosieven gebruikt Anonymous SQL-injecties, open poorten en DDOS-aanvallen. Net als RaRa wordt Anonymous gedreven door een ideologie: die van het volstrekt vrije internet, waarop iedereen zijn gang kan gaan, en de volstrekte transparantie van politiek en maatschappij.

Dat de aanvallen van Anonymous worden ingegeven door opportunisme in plaats van strategie: dat maakt Olson in het interview niet duidelijk.

Het belang van Anonymous: zij hebben het politieke verzet tegen de westerse maatschappij in een modern jasje gegoten. Dat het jasje na een jaar of wat al gescheurd en verschoten is, doet aan het initiatief naar mijn idee weinig af. Het internet als guerrillawapen blijft niet beperkt tot de dictaturen in verre landen, maar kan ook hier wortel schieten. Of, zoals Olson dat verwoordt: 'Er is ook een linksere, meer activistische groep binnen Anonymous die hoopt de internationale bewustwording over bepaalde onderwerpen te kunnen stimuleren. Ik denk dat die activistische tak nog wel groter zal gaan worden.'

En die conclusie kan ik dan wel delen.

foto Videocapture Volkskrant-interview

Als trol ben je ook nergens meer veilig…

Het Noorse mythologische wezen dat het internet onveilig maakt: de trol

Het was te mooi om waar te zijn. Een beeldschone jonge meid, uit islamitisch milieu, verhaalt over haar vervelende ervaringen met Marokkaanse knapen. Ze groeit in korte tijd uit tot een van de sterbloggers op het inmiddels ter ziele gegane Volkskrantblog. Omdat ze wat te vertellen heeft, en omdat ze een pen kan vasthouden. En omdat ze jong is, mooi, en vrijuit schrijft over haar seksuele beleving. Topscore praktisch gegarandeerd.

Ik had in die tijd (we praten over 2006) een wekelijkse rubriek in de krant waarin ik de lezers vertelde over onze ervaringen met het voor die tijd revolutionaire blogsysteem. Ik schreef over haar, in bewonderende termen; maar ik plaatste ook een waarschuwing: we konden niet zeker zijn van haar identiteit. Misschien was de dame in kwestie wel een Hollandse vent van middelbare leeftijd met een eigen agenda. Een paar weken later bleek dat inderdaad het geval te zijn. We waren het slachtoffer van een hoax.

De herinnering komt bij me op nu we in recente weken drie keer zijn geconfronteerd met de soms rare gevolgen van anonimiteit op het web. Daarbij zijn slachtoffers gevallen – zelfs dodelijke.

De Canadese tiener Amanda Todd beroofde zichzelf vorige maand van het leven, nadat ze jarenlang, eerst online en later ook in het dagelijkse leven werd gepest met een paar foto's van haar blote borsten die ze had verstuurd. De Canadese autoriteiten deden onderzoek naar de man die de foto's had genomen in een chatsessie, en deze vervolgens gebruikte om haar jarenlang, anoniem, te stalken en te bedreigen. Maar voordat er iemand gearresteerd of officieel aangeklaagd kon worden, meende hackersgroep Anonymous de schuldige al gevonden te hebben.

Jammer was alleen dat ze de verkeerde aanwezen. Een openbaar volksgericht was het resultaat.

Een paar weken later werd op Gawker een trol ontmaskerd die jarenlang bij Reddit onder de schuilnaam ViolentAcrez had ingespeeld op de laagste instincten van bezoekers. Ondanks zijn smeekbedes om dat niet te doen, ging Gawker door met de publicatie – ViolentAcrez verloor niet alleen zijn baan, maar daarmee ook de ziektekostenverzekering die tot dan toe de medische kosten voor zijn invalide vrouw had gedekt. Eigen schuld, dikke bult, was de overheersende reactie op Twitter.

En dan is er het laatste voorbeeld, een indirect slachtoffer van orkaan Sandy. Twitteraar @comfortablysmug stuurde op het hoogtepunt van de orkaan alarmerende en naar later bleek onjuiste berichten de wereld in over overstromingen en evacuaties. Hij werd ontmaskerd door Buzzfeed, publiek vernederd, en zegde zijn baan en zijn politieke activiteiten op (hij zat in het campagneteam van een New Yorks republikeins lid van het Huis van Afgevaardigden).

Dit is geen pleidooi voor deze mensen – wat zij hebben gedaan, is absoluut verwerpelijk, geen twijfel over mogelijk.

Socioloog Dana Boyd merkt in een stuk in Wired op dat we in een steeds verder vernetwerkte maatschappij leven. De grens tussen online en offline wordt dunner en vager, en onze acties op internet zijn niet meer vrijblijvend. De mensen die verantwoordelijk zijn voor het   'doxen', het ontmaskeren, van trollen, blijken in de praktijk, soms onbedoeld, te fungeren als de leiders van de lynch-mobs uit vorige eeuwen. Publieke volksgerichten spreken veroordelingen uit voordat alle feiten bekend zijn.

Boyd voegt daaraan terecht toe dat daarvoor geen pasklare oplossingen bestaan. Met ons allen maken wij het internet tot wat het is – met alle prachtige mogelijkheden tot innovatie en creativiteit enerzijds, en alle afgrijselijke schaduwkanten anderzijds. Dit noopt ons tot het herontdekken van onze moraliteit – en dat is een proces dat nog wel even zal duren.

Als we anonimiteit beschouwen als een onvervreemdbaar recht van elk individu, dan moeten we elke onvrijwillige inbreuk op dat recht veroordelen. Onvervreemdbaar betekent dat het recht op anonimiteit altijd blijft bestaan en hooguit afgenomen kan worden door de aangewezen instanties: onze rechters en justitie-autoriteiten. Dat recht kan niet verspeeld worden omdat je benzine jat.

Dat lijkt mij een mooi startpunt voor onze zoektocht naar de moraal van ons online bestaan. Dat we daarmee ook internetoplichters, stalkers, pesters, pedofielen en andere cybercriminelen het leven iets gemakkelijker maken – misschien is dat de prijs die we ervoor over moeten hebben.

foto: Anna Bialowska

Octrooien schieten hun doel voorbij

Over het oordeel van de Amerikaanse lekenjury dat Samsung patenten van Apple heeft misbruikt, is al veel gezegd. Mij interesseren eerlijk gezegd de directe consequenties voor Samsung en Apple niet zoveel; zelfs maakt het me niets uit als de Android-telefoons een tikje duurder worden door de zogeheten Apple-tax.

Wat me wel zorgen baart, is de overweging dat het systeem van octrooien dat aan Apples overwinning ten grondslag ligt kan leiden tot een tamelijk gruwelijk misbruik van patenten en uiteindelijk ook het stopzetten van alle internet-innovatie.

Een van de punten waarop Apple in het gelijk is gesteld, is dat Samsung in zijn apparaten de techniek heeft gekopieerd voor het inzoomen of uitzoomen van foto's. Als de gebruiker twee vingers op een foto zet en deze naar elkaar toe beweegt, wordt er ingezoomd; bewegen ze van elkaar af, dan wordt het blikveld groter. Ik vind dat een techniek die niet te patenteren zou moeten zijn; net zo min als iemand zou moeten kunnen patenteren dat je soep met een lepel eet. Een lepel is nu eenmaal het aangewezen instrument om soep mee te eten, net zoals de vingerbeweging de meest intuïtieve manier is om te vergroten of te verkleinen.

De zaak doet mij denken aan die van BT (British Telecom) tegen Prodigy, een Amerikaanse internetprovider, waarbij BT beweerde dat het de uitvinder was van de hyperlink. De Amerikaanse rechter was gelukkig weinig onder de indruk van BT's claims; je zou er toch niet aan moeten denken wat er zou gebeuren als één partij in staat zou zijn om de techniek van het hyperlinken als de zijne te claimen.

Google  legde dit jaar 12,5 miljard dollar neer om Motorola over te nemen. Het was niet geïnteresseerd in Motorola's fabrieken, personeel, of klantenbasis; het wilde slechts beslag leggen op de octrooien van Motorola. Deze move tekent wat mij betreft de ziekte van de high-tech industrie. Er is geen technologiebedrijf te noemen dat op dit moment niet honderden miljoenen uitgeeft om aan octrooibescherming. Vooral de advocaten worden er rijk van. Maar de consument wint er niks mee, en de innovatie wordt er niet mee geholpen.

Update: een iets uitgebreidere en meer aangeklede versie van deze post vind je hier.

‘Facebook’-moord is misleidend

Een rare redenering in de rechtbank van Arnhem deze week. De kinderrechters besloten het proces tegen een 16-jarige verdachte van een moord op een 15-jarig meisje in het openbaar te behandelen. Dat gebeurt bijna nooit; de reden om nu van deze regel af te wijken, meldt de rechtbank, is dat de samenleving gewaarschuwd moet worden voor de gevaren van de sociale media. De moord was namelijk een uitvloeisel van een ruzie die voor een deel op Facebook werd uitgevochten. De vader van het vermoorde meisje vond de openbaarheid geheel terecht. Kleine ruzies kunnen op internet gemakkelijk uit de hand lopen, zei hij volgens het AD.

Huh?

Het lijkt erop dat emoties hier eerder het handelen hebben bepaald dan de ratio. Ik heb het niet paraat, maar me dunkt dat ook veel moorden worden gepleegd in gezinsverband, in de kroeg, op straat en tussen vrienden. Dat is geen reden om de samenleving te wijzen op gevaren van het gezin, het café, de openbare weg en vriendschapsbanden. Als de ruzie zich in het klaslokaal had afgespeeld was de moord waarschijnlijk ook gepleegd.

Uit de redenering van de rechters blijkt een groot onbegrip voor het wezen van sociale media. Of misschien is het nog meer angst dan onbegrip. De rechtbank geeft er blijk van geen idee te hebben van wat er allemaal gebeurt op en met het internet. Het is te groot en te onoverzichtelijk; te veel onttrekt zich aan onze waarneming; en er is geen of nauwelijks controle mogelijk. En dus is het gevaarlijk.

Ouders en andere opvoeders maken hun jonge kinderen wegwijs in de wereld. Je vertelt ze hoe ze de straat moeten oversteken en dat ze niet met vreemden moeten meegaan. Je leert ze omgaan met angsten en onzekerheden. Zo behoort het ook onderdeel van de opvoeding te zijn om je kinderen te vertellen over het internet. Het is verstandig, lijkt mij, om de dialoog aan de gang te houden zodra ze zich eenmaal enigszins vrij kunnen bewegen over het web. Je praat met ze over wat ze online meemaken, zoals je ook met ze praat over hun schooldag. Als je een goede relatie met je kinderen hebt, zullen ze je vertellen wat er gebeurt. En jij kunt helpen om die gebeurtenissen van een contekst te voorzien, om ze te helpen verklaren.

Wat in ieder geval niet helpt is om de gebruikelijke bescherming van de privacy van minderjarige verdachten overboord te gooien omdat dat akelige internet een rol heeft gespeeld in de moordzaak.