Na de dood van de website

Mijn vorige post over de dood van de website liet ten minste een belangrijke vraag onbeantwoord, en schiep hier en daar onbedoeld verwarring. Handig dus om in deze follow-up verduidelijking te bieden, en een voorzet te doen voor de beantwoording van de openliggende vragen. De belangrijkste daarvan is: als de website zoals we die nu kennen zijn langste tijd heeft gehad, wat komt er dan daarna? Wie of wat is zijn opvolger?

Het is hoe dan ook handig om het begrip ‘website’ te preciseren. Een collega schreef me in een mail:

Voor mij is een website geen ‘ding’ op zich maar een combinatie van een lijst distributie-adressen met meer of minder redactionele curatie.

Daar heeft-ie natuurlijk gelijk in. Facebook is een website, net zoals Twitter, YouTube, Google, nytimes.com en vpro.nl. Achter de bijbehorende webadressen gaan meer of minder grote ondernemingen schuil, voor wie de website in de regel één van de vele, en vaak niet eens de belangrijkste, kanalen is waarmee ze hun al dan niet commerciële doel proberen te bereiken. Ze hebben ook apps voor mobiel en desktop, papieren kranten en televisieprogramma’s tot hun beschikking.

De website van de Baarnse bridgeclub blijft gewoon bestaan, net als Google een webadres blijft bieden om een zoekopdracht te kunnen doorgeven. En ook vpro.nl en volkskrant.nl zullen blijven bestaan. Maar die voorspellingen vind ik in deze context bijna triviaal. In mijn betoog wil ik een fundamenteel onderscheid maken tussen websites die worden gemaakt als onderdeel van een distributiestrategie voor content van professionele mediamakers (VPRO en Volkskrant) – dit noem ik voor het gemak maar even ‘mediasites’, en alle overige websites. Het gaat erom hoe de redacties van mediasites vorm en inhoud zo inrichten dat het publiek op de best mogelijke manier wordt bediend.

De kern van mijn betoog in een notendop: serieuze online journalistiek dreigt het onderspit te delven in het geweld dat de Buzzfeeds van deze wereld over het publiek uitstorten. Dit type grote contentfabrieken laat zich uitsluitend leiden door algoritmes; ze weten perfect waarnaar het publiek op zoek is en bedienen dit navenant. Vandaar de overmaat aan mediocre content op Facebook: de kattenfilmpjes en de top-tien lijstjes en het celebrity nieuws.

Omdat het publiek in meerderheid kiest voor wat ik dan toch maar, heel respectloos, bagger noem, wordt het voor producenten die het journalistieke ambacht serieus nemen, steeds moeilijker om op te vallen. De doorwrochte analyse over de Griekse schuldencrisis, waar je echt even  voor moet gaan zitten, legt het af tegen de top tien fails van celebrity-makeovers. Mikken op bereik wordt lastiger, en waar het wel lukt, levert het minder op omdat adverteerders door het enorme aanbod steeds minder hoeven te betalen om een groot publiek te bereiken.

De Guardian bijv, de uitgever die het meest van alle kwaliteitsmerken stuurt op een groot, wereldwijd bereik, heeft enorm last van de steeds dalende advertentietarieven. Die daling kan alleen worden gecompenseerd met een steeds groter bereik en uiteraard keert dan op enig moment de wal het schip. De groei van het bereik is eindig, zelfs in een groot taalgebied als het Engelse. Nummer twee heeft het nakijken, zoals meestal op het internet. En laten we dan maar zwijgen over de perspectieven van zo’n bereiksstrategie in kleinere taalgebieden als het Nederlandse.

De meeste uitgevers hebben niet zulke diepe zakken als de Guardian en kunnen zich de mega-investeringen niet veroorloven. Zij moeten hun online strategie radicaal aanpassen aan dit inzicht. Dat betekent níet dat ze het zich kunnen permitteren om sociale media links te laten liggen. Net als nu zullen ze hun best moeten blijven doen om het publiek zo goed mogelijk te attenderen op de verhalen die ze maken.

Dan de andere kant van de medaille: de thuisbasis, in de vorm van een website waarop een redactie haar verhalen gepubliceert. Die website heeft een homepage, die overigens, terecht, al eerder dood is verklaard. Het punt is namelijk dat de almachtige zoekmachine én de distributie via sociale media ervoor hebben gezorgd dat elke pagina een landingspagina kan zijn.

Elke pagina moet dus een etalage zijn waar zoveel mogelijk wordt doorverwezen naar de andere goede content die beschikbaar is. Nog meer afleidingen van het verhaal zelf dus. En vandaar mijn pleidooi: denk na over alternatieven. Welke andere mogelijkheden hebben we om onze productie zo effectief en mooi mogelijk voor  het voetlicht te brengen? Hoe verleiden we ons publiek om niet alleen te browsen en te snacken, maar ook daadwerkelijk te consumeren?

Door meer te gidsen. Door meer het hoofd aan te spreken en minder de buik. Door steviger te cureren. Door kortom, de lineariteit van een magazine of een krant als alternatief neer te zetten voor de chaos en onoverzichtelijkheid van een website.

Ik zou het een interessant experiment vinden om de volledige inhoud van de Guardian om te zetten in een longread zoals de VPRO die over Srebrenica heeft gemaakt (disclaimer – ik ben hoofd Digitaal van de VPRO). Andere vormen:

  • De prachtige productie van de Volkskrant over wereldsteden
  • NRC’s verhaal over Somalische piraten
  • Een longread van SBS over rassenrellen in Australië
  • Een online magazine van npogeschiedenis.nl op basis van de tv-serie De IJzeren Eeuw.

De lijst kan nog veel langer worden. Maar wat deze producties gemeen hebben: ze cureren. Ze gidsen. Ze leiden. Het zijn geen samenraapsels van verhalen zoals in de traditionele ‘dossiers’, maar prachtig en vaak innovatief vorm gegeven producties rondom één centraal thema.

Deze producties staan ‘op’ een website, in de zin dat ze een URL hebben. Maar ze ‘zijn’ geen website. Het is geen los samenraapsel van verhalen en producties die min of meer willekeurig aan elkaar worden gelinkt en die het aan de bezoeker overlaat hoe hij zijn weg door dit aanbod baant.

De uitdaging is uiteraard om te onderzoeken of we deze vorm ook kunnen gebruiken om de diversiteit van een medium-website te presenteren. Zo’n site gaat over cultuur, politiek, human interest, sport, economie, wetenschap – alle gebieden waarvan een betrokken en nieuwsgierige burger op de hoogte moet en wil blijven.

Journalistieke principes zijn leidend in vormgeving en presentatie. Relevantie, esthetiek, inhoudelijke kwaliteit op alle niveau’s, onderlinge samenhang, verwijzingen bepalen hoe het publiek deze publicatie ervaart.

De job van de webredacteur wordt ingewikkelder maar ook leuker. Hij of zij bepaalt elke keer opnieuw wat de waarde is van elke update die wordt aangeboden, en probeert die te passen in het gekozen schema. De uitgever en de hoofdredactie zien hun mogelijkheden groeien om een eigen stempel te drukken door de journalistieke keuzes die ze maken.

Welke vorm ook gekozen wordt, om succesvol te zijn moet-ie voldoen aan ten minste dit wensenlijstje (ongetwijfeld missen er zaken, vul het vooral aan):

  1. Ordening van verhalen gebaseerd op journalistieke relevantie (urgentie, nieuwswaarde, curatie, genre-indeling e.d.)
  2. Flexibel van opmaak om verschillende vormen op verschillende plekken toe te staan (de ‘opening’ kan in de ochtend een slideshow zijn, in de middag een tekstuele analyse, ’s avonds een video)
  3. Duidelijke signaalfunctie naar eindgebruikers over updates en nieuwe content (als journalistieke relevantie leidend is, kan nieuwere content die net wat minder relevant is, soms verborgen zijn onder/achter oudere verhalen)
  4. Platform biedt volledige multimediale ondersteuning
  5. Platform is open voor distributie op item-niveau (afzonderlijke producties kunnen gemakkelijk gevonden/aangelinkt worden van binnen of buiten de site)
  6. Platform biedt een api voor distributie door derde partijen

Kortom: de ideale vorm van de nieuwe mediumsite combineert het journalistieke leiderschap en de gidsfunctie van de oude krant met de veelzijdigheid en de distributiekracht van het web.

 

De dood van de website

Het web heeft de vrijheid van meningsuiting geëmancipeerd – wie slim is, kan voor een dubbeltje een miljoenenpubliek bereiken. Hij hoeft niet meer te investeren in dure drukpersen of opnameapparatuur en zendmasten; hij hoeft slechts tijd en aandacht te besteden aan het unieke verhaal, dat het publiek wil lezen, horen of zien.

Maar de mogelijkheid creëert de noodzaak. Het feit dat het kán, een miljoenenpubliek bereiken, betekent dat het ook moet – want als het jou niet lukt, zijn er anderen die er wel in slagen en die alle aandacht naar zich toe trekken. Het verhaal moet steeds ‘unieker’ worden, zich steeds meer onderscheiden van de miljoenen roddels, poezenfilmpjes en onzinnige lijstjes waardoor de doorsnee-surfer zich laat verleiden. Wie middle-of-the-road content publiceert, leidt een bestaan in de marge. Alleen de Buzzfeeds van deze wereld kunnen aan die wetmatigheid ontkomen.

Dit wordt een lange post. Het gaat eigenlijk over twee dingen: over hoe algoritmes onze mediaconsumptie beginnen te bepalen, en over de tegenbeweging die op gang komt en die, denk ik zo, het einde kan inluiden van de mediawebsite zoals we die kennen. Die moeten zich aanpassen of ten onder gaan.

Maar eerst over het algoritme.

Goede artikelen, verhalen, programma’s zijn niet gratis – misschien wel voor het publiek, maar niet voor de bedenker en uitvoerder. Die besteedt er tijd en aandacht aan, doet research, en gaat ervoor zitten om zijn verhaal zo goed mogelijk te vertellen. Als de bedenker in dienst is van een uitgever, krijgt-ie een salaris. Als de verteller freelancer is, hoopt-ie dat zijn verhalen de aandacht van de markt op hem vestigen, of misschien wel dat adverteerders interesse gaan tonen.

Maar hoe dan ook, ergens moet betaald worden voor de kwaliteit die wordt geleverd. Voor veel mediahuizen (die brede term dekt het best de lading: het gaat hier over krantenuitgevers, maar ook over omroepen: het gaat over alle personen, bedrijven en instellingen die uit het vertellen van verhalen en het maken van media hun inkomsten halen) – voor veel mediahuizen dus is het halen van een groot bereik de enige manier om de investering in kwaliteit terug te verdienen. Bereik namelijk levert de belangstelling en de euro’s van adverteerders op.

Maar goede content alleen is niet genoeg. Want het web is groot, en jouw verhaal, hoe mooi ook, is er een van honderden, duizenden die in de afgelopen minuut zijn gepubliceerd. Dus om bereik te creëren, ben je ook afhankelijk van je netwerk, de mensen die je kent, en die je persoonlijk kunt attenderen op het moois dat je hebt geproduceerd. Het web biedt ook de tools voor dit netwerk: Google en Facebook faciliteren jouw distributie. Deze partijen nemen de keuzestress weg van het consumerend publiek en laten algoritmes bepalen wat je zou moeten lezen, luisteren of kijken. Dankzij deze algoritmes en de distributed content zijn Buzzfeed, Politico en Huffington Post groot geworden.

Het nadeel hiervan is uiteraard dat je je voor je succes afhankelijk maakt van de algoritmes die externe partijen opstellen. Die hebben hun eigen belang, dat niet altijd spoort met het jouwe. Los daarvan is een ding zeker: het algoritme dat bepaalt welke content waar te zien is, is op zijn best een hulpmiddel bij de redactievoering, en op zijn slechtst een armzalig substituut voor menselijke curatie.

Algoritmes bestaan uit scripts, software die door programmeurs wordt gemaakt. Ingewikkeld zijn die scripts niet: die bepalen simpelweg, op basis van vooraf opgestelde regels, wat aan wie wordt getoond. Zo’n regel kan zijn dat tachtig procent van de mannen met een HBO-opleiding, die in een stedelijk gebied wonen, reisadvertenties aanklikken mits er een foto van een dame in bikini bij wordt getoond. Het script weet dat bezoeker A voldoet aan die omschrijving en toont dus de reisadvertentie.

Deze algoritmes werken bij de gratie van big data. Software heeft data nodig om de relatie te kunnen leggen tussen bijvoorbeeld geslacht, opleiding, woonomgeving en content:

  • Welk publiek is geïnteresseerd; niet alleen de totalen, maar liefst ook onderverdeeld in doelgroepen en interessegebieden.
  • Op welk moment van de dag wordt welke content het best bekeken?
  • En op welk platform?
  • En wat is de herkomst van de bezoeker (welke link heeft hij aangeklikt om op deze pagina te komen?)
  • Waar gaat hij naartoe als hij klaar is met zijn bezoek?

Don Tapscott, een econoom die zich heeft gespecialiseerd in de economie van het web, ziet hierin een wezenlijk probleem. Drie jaar geleden zei hij in een vraaggesprek met Clay Shirky in The Atlantic:

Sure, Big Data, business intelligence, and next-generation analytics can help deliver more effective targeted communications to customers. And with detailed individual knowledge we can deliver better, personalized value (products and services) to them. But in many ways this is just fine-tuning of the old paradigm in marketing where companies deliver messages and value–one-way–to passive recipients. It’s just an extension of the broadcasting model of marketing: Customers are inert, and the goal is a transaction and not a relationship.

The much bigger opportunity for businesses is to go beyond targeting customers to engaging with them: from customer centricity to customer co-creation; from focusing on customers to co-innovating with them; from mass customization to mass collaboration.

Wat Tapscott hier feitelijk beweert, is dat de bedrijven en instellingen die hun toevlucht nemen tot big data als marketing tool, langs een ander belangrijk kenmerk gaan van de moderne netwerkmaatschappij: dat het publiek niet langer uitsluitend als doelgroep gezien wil worden die vooral consumeert, maar in toenemende mate ook wil deelnemen en co-creëren.

Voor een deel praat Tapscott hier onzin. Het succes van Buzzfeed bewijst dat een groot publiek het prima vindt om zijn avond door te brengen met de rommel die de algoritmes produceren. Maar tegelijk zijn er tekenen zichtbaar die wijzen op in ieder geval een gedeeltelijk gelijk van Tapscott. Het kritische deel van het publiek heeft genoeg van de bagger en gaat actief op zoek naar kwaliteit. Dit kritische deel wil niet per se naar de mond worden gepraat, maar wil ook uitgedaagd worden door deskundige, betrokken en vooral authentieke persoonlijkheden; geen algoritmes, maar mensen van vlees en bloed.

Hier liggen kansen voor redacties. We zien het in de terugkeer van de geredigeerde content bij Apple Music. Volgens Business Insider:

But Apple is placing a big bet on human editors with a strong knowledge and love of music. The idea is that these human editors, like the radio DJs of yesteryear, will help turn Apple Music into a great way to discover new music.

Zelfs Facebook nuanceert de kracht van zijn eigen algoritmes. En in de New York Times wordt een verhaal op die prachtige site over media The Awl geciteerd onder de titel ‘The next Internet is TV‘- ook al een pleidooi voor de menselijke maat en tegen het algoritme.  Waarmee ik op de titel van dit essay kom: de dood van de website.

Het probleem met websites van mediahuizen (die het dus moeten hebben van originele, kwalitatief goede en authentieke content), is dat het format van websites zich niet erg goed leent voor het maken van redactionele keuzes en het aanbrengen van een duidelijke hiërarchie. Het wezen van het web is het netwerk van content. Verhalen, foto’s, video’s, audio verwijzen naar elkaar door links. Een gemiddelde webpagina van een site als die van de Volkskrant bevat honderden linkjes; evenzovele uitnodigingen aan de bezoeker om weg te klikken. Ze kunnen zelfs geïnterpreteerd worden als boodschappen: de content hier, op deze pagina, doet er niet veel toe; klik maar weg en zoek je heil elders.

Wie een website bezoekt, gebruikt zijn buik minstens zoveel als zijn hoofd. De afleiding is er; de verleiding om te klikken in plaats van te lezen is groot. Het gebruik is niet lineair maar enigszins chaotisch; de psychologie is eerder intuïtief dan rationeel. Een nieuwssite verhoudt zich tot de krant als Spotify tot een radioprogramma. Er is veel keuze en dat is prettig; maar het is moeilijk om te gidsen – en als er gegidst wordt, gebeurt dat weer steeds meer door algoritmes.

Daarom denk ik dat redacties goed moeten nadenken of hun digitale inspanningen nog wel zo op websites gericht moeten zijn. Misschien moeten ze zich buigen over andere vormen, waarin de bezoeker veel meer bij de hand wordt genomen. Hij wordt geleid door redactionele keuzes; deskundigen bepalen de hiërarchie, bereiden verrassingen voor, presenteren nieuwe ontdekkingen, en gebruiken hun vakmanschap om inhoud en presentatie te optimaliseren.

Ook binnen zo’n aanpak blijft er ruimte voor het algoritme; maar op de achtergrond, als hulpmiddel voor redacties in plaats van leidraad voor bezoekers. En juist binnen zo’n aanpak kan serendipiteit hoogtij vieren, kan de bezoeker zich laten verrassen, en kunnen redacties het verloren terrein terug winnen.

Als dat klopt, zijn de websites die het moeten hebben van hun originele content, volledig passé. Zij zullen op zoek gaan naar nieuwe vormen; van online magazines tot online radio, van videokanalen met een vaste programmering tot afgeronde longreads die lineair ‘genuttigd’ kunnen worden.

Lessen van SxSW

De afgelopen week was ik op het mega muziek-film-online festival South by SouthWest (beter bekend als SxSW) in Austin, Texas. Was er een newby – voor de zzp’er die ik tot vorig jaar was, vond ik het een iets te prijzige investering. En voor zo’n newby als ik is SxSW best groot en onoverzichtelijk. 30 duizend gasten, van wie je velen eigenlijk wel zou moeten kennen (of moeten willen kennen), vele honderden panel sessies, keynotes, forumdiscussies, en maar 24 uur in een dag.

Eerdere edities van SxSW zagen de geboorte van bekende namen als Twitter en Instagram, die allebei in Austin werden gelanceerd. Als ik mijn geld op een partij zou moeten zetten die eenzelfde komeetachtige carrière tegemoet kan zien, dan is het Meerkat. Een app, twee weken oud en op dit moment alleen nog beschikbaar voor iOS, waarmee je je mobiele telefoon omzet in een camera die live kan streamen naar het publiek. Een van mijn collega’s maakte er al gebruik van in een sessie over muziek op tv, en rapporteerde later trots dat hij meer dan zeventig kijkers naar zijn live stream had genoteerd.

Dat lijkt natuurlijk niet veel, en is ook niet veel, maar de app heeft een grote potentie en kan zomaar de wijze van live verslaggeving van grote evenementen gaan beïnvloeden. Van sportwedstrijden tot concerten, demonstraties tot persconferenties: iedereen kan zijn publiek onmiddellijk op de hoogte stellen van wat er gaande is, real time en live.  Politico voorziet zelfs een ‘gamechanger’ voor de campagnes van de presidentsverkiezingen in 2016.

SxSW is een plek voor netwerkers, marketeers en brand managers – je wordt er geïnspireerd en het is prettig om je prioriteiten weer eens goed op een rij te krijgen. Nummer een in die lijst: digital first. Alles is online. Daar is het publiek te winnen, en dus win je daar de oorlog. Alle andere platforms zijn ondersteunend.

Bij andere leden van onze delegatie uit de publieke omroep, en ook bij mij, ontstaan wel zorgen over de strijd om de kwaliteit. Die dreigt verloren te gaan, als we Buzzfeed moeten geloven. Deze producent (200 miljoen maandelijkse unieke bezoekers) van schattige kattenfilmpjes en top-tien lijsten van yogatechnieken en is wereldwijd een van de populairste sites voor content – ver boven traditionele mediabedrijven als CNN of de New York Times. De Buzzfeed presentatie tijdens SxSW ging niet over hoe je content maakt, maar hoe je content selecteert: hoe je publiek laat bepalen waar jij over bericht.

Een andere belangrijke les van Buzzfeed: distributie interesseert ze niet. Dat wil zeggen: content staat voorop, en ze hoeven niet per se zelf de controle te hebben over het distributiekanaal. Follow the audience, is de leidraad. Plaats de content daar waar het publiek is. De eigen website is secundair, sociale media leiden. Van YouTube tot Facebook, virale actie is het enige dat telt.

Een andere rode draad in het weefsel van de hipsters van Austin, is VR, virtual reality. Nu Sony, HTC, Google, Samsung, Facebook, Microsoft (afwezig nog in dit rijtje: Apple!) allemaal in de productie van de hardware zijn gestapt, beginnen de creatievelingen zich te roeren. Zoals de baas van Arte zei: ‘We zitten nu nog in het stadium van jaar 2 van de stomme film. Het publiek zegt oh en ah tegen de nieuwe techniek, maar wat we ermee maken is nog niet echt Oscarwinnend materiaal.’ Dat beschouwen hij en vele anderen die we erover zagen spreken als belangrijkste prioriteit: het bedenken van een nieuwe beeldentaal om in en met VR onze verhalen te vertellen.

Ten slotte: was het de moeite waard? Ja.

Wat hebben we ervandaan gehaald? Inspiratie, een steviger netwerk, en een handvol ideeën.

Zijn andere conferenties niet net zo goed? Jawel, sommige zijn zelfs beter als je puur voor de inhoud gaat. Maar daar lopen minder belangrijke mensen rond.

Hoe science fiction onze wereld verandert

Science Fiction boekenDe fictie die ik het liefste lees, is Engelstalige (veelal Amerikaanse) science fiction. En dan niet zozeer het genre fantasy of space opera (met grootscheepse, op interstellaire schaal uitgevochten oorlogen tussen mensen en achtpotige aliens), maar wel de zogeheten hard science fiction, waarin de huidige stand van de wetenschap wordt geëxtrapoleerd naar de nabije toekomst.

En het andere type dat me interesseert is de dystopische science fiction, die veel meer handelt over het effect van technologische innovatie op de menselijke geest, relaties en maatschappij. Auteurs als de oudjes Arthur C. Clarke of Isaac Asimov, en hun jongere broers Neal Stephenson (Cryptonomicon, Snow Crash), Stephen Baxter, William Gibson (Neuromancer), Philip K. Dick (A Scanner Darkly) behoren tot mijn favorieten. Momenteel race ik door Kim Stanley Robertson, die een prachtige trilogie publiceerde over de pogingen om van Mars een leefbare planeet te maken.

Ik zag deze week toevallig een paar publicaties die voeding geven aan de gedachte dat, hoe je ook in literair opzicht over scifi mag denken, het genre  daadwerkelijk vaak inspiratiebron is voor praktische uitvindingen. Bekijk deze graphic eens (tekst gaat verder onder de afbeelding):

History of Books that Forecast the Future Infographic

Natuurlijk is het plaatje een beetje misleidend, want het heeft alleen de voorspellingen opgenomen die ook daadwerkelijk uitkwamen; ik vermoed dat er veel meer zijn gedaan die niet uitkwamen. Maar dat is niet het punt; veel belangrijker is het dat goede scifi inspirerend kan zijn voor echte nieuwe wetenschap en echte maatschappelijke en economische  innovatie. Wat me brengt op een tweede verhaal dat ik deze week las, op de site van het Smithsonian, How America’s Leading Science Fiction Authors Are Shaping Your Future. Een quote uit het einde van dit lange verhaal vat het aardig samen (maar lees vooral het hele stuk!):

Science fiction, at its best, engenders the sort of flexible thinking that not only inspires us, but compels us to consider the myriad potential consequences of our actions. Samuel R. Delany, one of the most wide-ranging and masterful writers in the field, sees it as a countermeasure to the future shock that will become more intense with the passing years. “The variety of worlds science fiction accustoms us to, through imagination, is training for thinking about the actual changes—sometimes catastrophic, often confusing—that the real world funnels at us year after year. It helps us avoid feeling quite so gob-smacked.”

Het derde verhaal gaat over Google X, het geheime lab van Google waar onder andere de Glass het licht zag, het plan werd gelanceerd om de hele wereld te voorzien van gratis internet door wifi-weerballonnen op te laten, en de zelfrijdende automobiel wordt vervolmaakt. De mensen die er werken worden geacht om niet incrementeel maar revolutionair te denken. Het gaat ze niet om een auto die 1 op 50 rijdt (in plaats van de huidige 1 op 15 of zo), maar om een vervoermiddel waarmee 1 op 500 te halen is. Dat vereist een compleet nieuwe manier van denken en het loslaten van alle voor waar aangenomen zekerheden. Ook dit is iets waarbij goede science fiction kan helpen.

Infographic van PrinterInks

Sociale journalistiek is meer dan het toestaan van reacties

1st June Portuguese Anti-Troika DemonstrationHet is alweer jaren geleden dat ik met de toenmalige collega’s van de Volkskrant discussies voerde over user generated content. Het ging over de noodzaak dat de journalistiek uit zijn ivoren toren kwam, dat er meer echt werd geluisterd naar ons publiek, dat we ons publiek daadwerkelijk een stem gingen geven in het maatschappelijke debat.

De rol van de journalist, zo betoogde ik, verandert van zender (het uitzenden van informatie) naar facilitator van het publieke discours. Ik won er wat zieltjes mee, we startten met het Volkskrantblog, maar het bleef al met al een tamelijk oppervlakkige bedoening. Een belangrijk deel van de oorzaak zat hem in het feit dat de redactie het grotendeels liet afweten in die prachtige infrastructuur die we hadden gebouwd. En ik begreep dat heel goed, want ons publiek bestond, een uitzondering daargelaten, uit querulanten, intriganten, zeurpieten en complotdenkers. Niet het niveau in ieder geval waarop je hoopt als je aan zo’n initiatief begint – hoe arrogant wellicht ook gedacht.

De meeste journalistieke organisaties beperken hun directe bemoeienis met het publiek tegenwoordig tot het bijhouden van een Facebook-pagina en het schoorvoetend toelaten van reacties onder hun artikelen. Echte interactie tussen redacties en hun lezers/kijkers/luisteraars is er nauwelijks. Voor zover het publiek een rol heeft gekregen in de journalistieke productie, is het als dankbaar onderwerp voor straatinterviewtjes, waarbij de mensen wat in een microfoon mogen schreeuwen waarna iedereen weer overgaat tot de orde van de dag.

Jeff Jarvis, professor journalistiek aan CUNY (de universiteit van New York) en befaamd omdat hij als eerste in de wereld de master Entrepreneurial Journalism opzette (iets waarmee Jeroen Smit nu ook aan de RUG begonnen is), publiceerde deze week plannen om een nieuwe master te beginnen in wat hij Social Journalism noemde. Centrale gedachte: de journalistiek verandert van producent van inhoud voor de massa’s naar een verlener van diensten aan individuen en gemeenschappen. Inhoud is opvulling, diensten kunnen dingen in beweging zetten, betoogt hij.

De sociale journalistiek die we tot nog toe plegen (die dus waarbij we volstaan met een FB pagina) verandert feitelijk niets aan de wijze waarop we de wereld verbeelden. De journalist neemt zijn eigen productie als uitgangspunt, en maakt deze productie hooguit iets opener, maar tegelijkertijd ook iets minder betrouwbaar, aldus Jarvis. Het uitgangspunt moet voortaan de gemeenschap zijn die we willen bedienen, haar behoeften en noden. Soms zijn dat behoeften die we kennen: de behoefte aan informatie. Maar soms kan dat ook onderwijs zijn, of het delen van data of gereedschappen, of actie om de gemeenschap beter te organiseren.

Het klint allemaal erg mooi, maar ik blijf zitten met de vraag waarom dit specifiek een journalistieke taak is. Het wordt mij niet duidelijk waarom de journalist zich zou moeten ontwikkelen tot een opbouwwerker of een gemeenschapsactivist; is een journalist niet in eerste instantie vooral een informatiemakelaar?

Kortom: ik denk dat Jarvis voor een groot deel gelijk heeft; maar ik haak af waar hij lijkt te pleiten voor een activistisch soort journalistiek, die kennelijk ook impliceert dat we maatschappelijke en politieke keuzes maken.

Creative Commons LicenseFoto Pedro Ribeiro Simões via Compfight

Optimisme, kansen en twijfels

2014-03-27 11.11.06Wie dit blog regelmatig volgt, weet dat ik me af en toe behoorlijk kritisch heb uitgelaten over de publieke omroep. Dan zal het vreemd overkomen dat ik het nieuwe Hoofd Digitaal van de VPRO word, zoals gisteren aangekondigd. En het klopt, ik heb getwijfeld of ik wel in zou moeten gaan op de uitnodiging om te komen praten. Niet om de inhoud: het is een van de interessantste posities binnen het wereldje van de nieuwe media.

De VPRO maakt mijn favoriete  programma’s (met Tegenlicht als mooiste voorbeeld), maar is ook van oudsher de meeste innovatieve omroep. Ik herinner me mijn eerste bezoek, misschien wel tien jaar geleden, toen ik nog Hoofd Online van de Volkskrant was. We gingen praten over cinema.nl, in die tijd nog een gezamenlijk project van VK en VPRO. We werden ontvangen door Erwin Blom en GertJan Kuiper, en Erwin liet mij vol trots zien hoe de VPRO applicaties aan het ontwikkelen was voor de digitale kanalen van de publieke omroep. Let wel, dit was in een tijd dat nog geen enkele kabelaar een digitaal kanaal kon doorgeven.

Vijf redenen om toch te gaan praten:

  • de kwaliteit van de programma’s staat centraal
  • die gespitstheid op innovaties,
  • de onmiddellijke vertaalslag van uitvinding naar toepasbaarheid,
  • het nadenken over hoe die nieuwe technieken ook andere verhaalvormen mogelijk maken,
  • plus de strategische betekenis van dit alles voor de VPRO

En als je dan een paar inspirerende gesprekken voert met VPRO’ers die deze ontwikkelingen mogen leiden – ja, dan wordt de stap wel een stuk eenvoudiger. En daar komt simpelweg bij dat het buitengewoon eervol is om in de voetsporen te mogen treden van Erwin en zijn opvolger, Erik van Heeswijk.

De twijfels zitten in het achterlaten van mijn bedrijf. Ik ben ruim vier jaar ondernemer geweest, heb hele leuke klussen gedaan en fijne klanten gehad. De vrijheid van het ondernemerschap is me goed bevallen. En de twijfels zitten ook in de ruimte die de afzonderlijke omroepverenigingen nog hebben om mooie dingen te maken. Hoe bureaucratisch is de NPO? Hoe groot zijn de mogelijkheden? Op dit moment heb ik nog geen idee.

Ik zie er ook naar uit om een vergelijking te kunnen maken tussen de Volkskrant en de VPRO. Ik deed bij de krant immers bijna hetzelfde werk, en ik ben er vertrokken, na de overname door Persgroep, omdat ik de ruimte voor zelfstandige innovatie steeds kleiner zag worden. Mijn indruk op dit moment is dat de VPRO steviger in de schoenen staat. Misschien ben ik te optimistisch. Maar dan leest u het hier.

De Correspondent is oude wijn in nieuwe zakken

Voorpagina De CorrespondentMooi initiatief van Rob Wijnberg, ex-chef van NRC-Next, om een nieuw journalistiek platform op te richten. Toch heb ik mij niet ingeschreven voor De Correspondent. Zestig euro kan ik nog wel missen; en nieuwe journalistiek, wat Wijnberg beweert te gaan bedrijven, verdient alle steun.

De Nieuwe Pers sponsorde ik vorig jaar van ganser harte, en ik zou het onmiddellijk weer doen mocht het nodig zijn. Terzijde: ze zijn nu al meer dan een maand aan het produceren, en ik heb nog geen letter kunnen lezen. Later vandaag komt hun website in de lucht, heb ik begrepen, maar als fanatiek Apple-hater begrijp ik eigenlijk niet waarom ze eerst een iPhone/iPad-app hebben gemaakt, en daarna pas over Android zijn gaan denken – dat nota bene een groter marktaandeel heeft!

Waarom voelt het nou zo anders bij De Correspondent? Deels is het de fanfare waarmee het product in de markt wordt gezet. Een hele stoet aan notabelen is ingeschakeld, wat Wijnberg meteen een plek in De Wereld Draait Door opleverde. Prima hoor, het is hem hartelijks gegund, maar ik vind het wat unfair tegenover De Nieuwe Pers die heel wat kariger werd bedeeld met gratis reclame. Het inschakelen van al deze bekende Nederlanders is bovendien enigszins misleidend. Ik kan me ten minste niet voorstellen dat Arnon Grunberg of Femke Halsema, hoe respectabel ook, regelmatig het soort diepgravende journalistiek bedrijven waarmee Wijnberg groot wil worden.

Wat mij echter veel meer dwars zit is het gat tussen pretentie en praktijk.

Pretentie: dagelijkse productie, geen nieuws, maar vooral uitleg en duiding, door uitgesproken correspondenten. Uiteindelijk gaat het erom ‘diepere inzichten te bieden’. Voor zestig euro per jaar mag je niet meepraten over de journalistieke inhoud, maar krijg je wel medezeggenschap over een deel van het rendement.

Insinuatie die hierachter schuil gaat: bij de traditionele media wordt te weinig aan uitleg en duiding gedaan. Er worden geen diepere inzichten geboden. De traditionele media drijven op hypes. En ze stoppen een hoop dode bomen door de brievenbus en zijn dus niet mee in de moderne tijd.

Die insinuatie vind ik unfair. Er is genoeg kritiek te leveren op het innovatiebeleid van NRC en de Volkskrant, en dat heb ik op deze plek al vaak gedaan. Maar ik heb nooit beweerd dat hun journalistiek niet deugt. Integendeel, dit zijn wat mij betreft nog steeds kwaliteitskranten die tot het beste behoren wat de Nederlandse journalistiek te bieden heeft.

Als De Correspondent werkelijk gebruik gaat maken van alle journalistieke mogelijkheden die het internet biedt – ja, dan ben ik om. Maar van die plannen zie ik dan weer bitter weinig terug. Datajournalistiek, crossmedialiteit, user generated content, journalistiek gebruik van sociale media – grote gaten die de Volkskrant en NRC laten liggen, en waar De Correspondent zo in zou kunnen stappen. Zouden ze dat gat vullen, dan mag je wat mij betreft spreken over echte vernieuwing.

In plaats daarvan: meer achtergrond, meer duiding, meer context. Meer van hetzelfde dus. Oude wijn in nieuwe zakken.

En dan: wie enig zicht heeft op de veranderingen in de manieren waarop consumenten met nieuws en informatie omgaan, weet dat consumenten niet meer trouw zijn aan een nieuwsmerk. Ze maken dagelijks andere keuzes en zijn in die zin veel wispelturiger geworden. Ik kan een liefhebber zijn van het kunstprogramma Podium en het kitschprogramma RTL-Boulevard. Ik kan ’s ochtends naar Radio 4 luisteren, en ’s middags naar 538. Maakt me niks uit. Ik ga voor programma’s die ik mooi vind, en ik wil lezen wat mij boeit. Dat kan net zo goed een verhaal zijn in Trouw als in de Amersfoortse Courant of de Volkskrant. Of De Correspondent.

Dwing mij niet om 60 euro neer te leggen voor een massaproduct. Terwijl het ook zo anders kan. Bij De Nieuwe Pers kan ik kiezen welke journalisten ik interessant vind. Elinea biedt mij de mogelijkheid om te abonneren op losse rubrieken of journalisten van alle meewerkende uitgevers.

Wat ik zei: De Correspondent is hetzelfde garen op een ander klosje.

Meer variatie gewenst: op tijdstip, op type verhaal, op apparaat

PassengersDe afgelopen weken nogal druk geweest met de voorbereiding en het geven van een groot aantal trainingen, van Middelburg tot Groningen. Een van die trainingen handelt over responsive web design; een nerdy term voor wat niet meer is dan een techniek om rekening te houden met het apparaat waarop je website wordt bekeken. Bezoekers die met een mobiel je site proberen te bekijken, hebben een andere gebruikers-interface nodig dan wanneer ze naar een breedbeeldscherm zitten te staren. Wel of geen muis, wel of geen besturing met behulp van je vingers, wel of geen toetsenbord om een formulier op in te vullen – het maakt allemaal nogal verschil.

Nu lijkt dit allemaal vreselijk voor de hand te liggen – natuurlijk probeer je je publiek zo goed mogelijk van dienst te zijn. Maar de vraag die wel bij me opkwam is waarom dit voor techneuten, designers, maar ook voor de marketeers van grootwinkelbedrijven zo voor de hand ligt, terwijl de uitgevers en de journalisten het hele concept nog zo ongeveer moeten ontdekken.

Klein voorbeeldje: een van de toepassingen die ik met grote regelmaat gebruik, is die van Appie. Ja ik weet het, noem me burgerlijk, maar ik vind het een heerlijk ding. Ik zit op mijn gemak op een groot scherm in mijn huiskamer de beste recepten uit te zoeken uit een database van ettelijke tienduizenden, klik de maaltijden aan die me bevallen, voeg ze toe aan mijn boodschappenlijst, synchroniseer met de cloud. Terwijl ik vervolgens naar Albert Heijn kuier, haal ik mijn mobiel uit mijn zak, haal mijn lijstje op, en zet het op loopvolgorde voor de vestiging van Albert Heijn in mijn buurt.

Geweldig!

Of die mooie dienst van Directlease, die mij de goedkoopste tankstations in mijn buurt toont; of die van FourSquare of Tripadvisor, die me vertellen waar ik het lekkerste kan eten… Enfin, de lijst is natuurlijk eindeloos.

Maar wat wel opvalt: tussen al die mooie apps zit er geen enkele die je als journalistiek zou kunnen aanmerken. Het lijkt erop alsof de journalistiek nog helemaal niet door heeft dat wie in de rij staat voor de check-in-balie genoeg heeft aan een teletekst-achtige dienst op zijn mobiel; vervolgens in de wachtruimte op zijn tablet het grote nieuwsverhaal wil lezen; en als hij op de plaats van bestemming is aangekomen, rustig achter zijn desktop gaat zitten om andere aspecten van het verhaal tot zich te nemen of te participeren in de publieke discussie.

Op verschillende momenten van de dag heeft het publiek toegang tot verschillende apparaten, en heeft het publiek andere behoeften. Maar nog steeds maakt het merendeel van de uitgevers een one size fits all product. Natuurlijk hebben ze hun mobiele apps, en veranderen ze wat aan de vormgeving; maar de inhoud is niet anders. De inhoud is nog steeds dezelfde.

Er is geen nieuwsapp van een traditionele uitgever die in de gaten houd waar ik mij bevindt en mij dan op de hoogte brengt van wat zich in mijn directe omgeving heeft afgespeeld. En het hoeft niet alleen over nieuws te gaan. Dezer dagen verblijf ik in Groningen – ik zou het eigenlijk wel prettig vinden als mijn krant mij automatisch op de hoogte brengt van de culturele agenda in de stad, zodat ik dat niet zelf hoef  op te zoeken. Of waar zich de beste restaurantjes in mijn buurt zich bevinden.

Dat is mijn grote wens voor volgend jaar: dat er een Nederlandse uitgever opstaat die zich realiseert dat het verlenen van diensten aan je eigen publiek de belangrijkste reden van je bestaan is. Die weet dat hij veel meer kan kapitaliseren op de waarde van zijn merk en op het vertrouwen dat zijn publiek in dat merk heeft. En die ook doorkrijgt dat dat kapitaliseren letterlijk is bedoeld: dat je er geld mee kunt verdienen.

Foto:  Dani Sardà i Lizaran via Compfight

Anonymous is het RaRa van de 21e eeuw

Volkskrant-interview met twee Anonymous-leden

Intrigerend verhaal in de Volkskrant vandaag over Anonymous, de amorfe groep hackers die de afgelopen jaren van zich deed spreken in de discussies rond Wikileaks. Van de ondertitel in het screenshot van hiernaast, zo blijkt uit het stuk, klopt helemaal niets. Anonymous was van alles, maar in geen geval een organisatie van gelijkgestemden. Dat bleek vorig jaar natuurlijk al bij de afsplitsing van Lulzsec.

De Volkskrant interviewde Parmy Olson, bureauchef van Forbes in Londen, die een jaar lang onderzoek heeft gedaan naar de hackersgroep. Haar belangrijkste conclusie: het belang van Anonymous wordt overschat. Zo luidt ook de kop boven het verhaal. Maar dat lijkt me iets te kort door de bocht. Olson baseert deze uitspraak op haar waarneming dat Anonymous slecht georganiseerd is (wat wel geheel in stijl van de ideologie is natuurlijk) en de aanvallen slecht worden voorbereid. Anonymous als geheel is 'een groep waarin niemand voor honderd procent te vertrouwen is en waarin de leden niet alleen de buitenwereld, maar ook elkaar manipuleren'.

Een intrigerende uitspraak weliswaar, maar in ieder geval niet eentje waaruit je het belang (of het ontbreken ervan) van Anonymous kunt afleiden. Anonymous is volgens mij wel degelijk van groot belang geweest. Anonymous is het RaRa van de 21e eeuw, de mobilisator van online onvrede met machtige economische, politieke en maatschappelijke actoren. Anonymous voert een guerrillastrijd met moderne middelen. In plaats van brandbommen en explosieven gebruikt Anonymous SQL-injecties, open poorten en DDOS-aanvallen. Net als RaRa wordt Anonymous gedreven door een ideologie: die van het volstrekt vrije internet, waarop iedereen zijn gang kan gaan, en de volstrekte transparantie van politiek en maatschappij.

Dat de aanvallen van Anonymous worden ingegeven door opportunisme in plaats van strategie: dat maakt Olson in het interview niet duidelijk.

Het belang van Anonymous: zij hebben het politieke verzet tegen de westerse maatschappij in een modern jasje gegoten. Dat het jasje na een jaar of wat al gescheurd en verschoten is, doet aan het initiatief naar mijn idee weinig af. Het internet als guerrillawapen blijft niet beperkt tot de dictaturen in verre landen, maar kan ook hier wortel schieten. Of, zoals Olson dat verwoordt: 'Er is ook een linksere, meer activistische groep binnen Anonymous die hoopt de internationale bewustwording over bepaalde onderwerpen te kunnen stimuleren. Ik denk dat die activistische tak nog wel groter zal gaan worden.'

En die conclusie kan ik dan wel delen.

foto Videocapture Volkskrant-interview