De perfecte toekomst binnen handbereik

The Rail Yard [Explored] Ik ben een vooruitgangsfetisjist. Ik geloof dat de wereld dag na dag, jaar na jaar, eeuw na eeuw steeds een klein beetje beter wordt. Ik vertaal dat in termen van emancipatie: wij mensen verbeteren ons leven door ons geleidelijk aan steeds meer vrij te maken van restricties die van buitenaf worden opgelegd. Technische vooruitgang bevrijdt ons van de beperkingen van de natuur, politieke en sociale emancipatie ontdoen ons van onze maatschappelijke ketenen.

Uiteraard sluit ik mijn ogen niet voor alle gruwelijkheden die dagelijks overal op de wereld plaatsvinden en die je kunnen doen twijfelen aan de menselijke progressie. Maar toch heb ik de sterke neiging om die gruwelijkheden te beschouwen als krassen in een lijn die, over het geheel, een opwaartse trend van bevrijding laat zien.

Dit ingebakken optimisme is niet heel erg in de mode, geloof ik. Het is trending om somber te zijn, cynisch en pessimistisch. Niet veel mensen geloven tegenwoordig in een toekomst waarin honger niet meer bestaat, oorlog een anomalie is, en de grote meerderheid van de wereldbevolking zelf zijn leven kan bepalen. Want van wie zouden de oplossingen voor de problemen van maatschappij, milieu, gezondheid en politiek moeten komen? Het geloof in de maakbare samenleving is stuk, de overheid is machteloos, grote ondernemingen willen slechts hun aandeelhouders tevreden stellen, het onderwijs lijkt niet meer over de energie te beschikken, en over het morele failliet van religie is genoeg gesproken.

Toch volstaat een kleine blik op de cijfers om het ongelijk van de pessimisten aan te tonen. Op praktisch alle gebieden (sociaal, economisch, politiek) is er sprake van vooruitgang in de meeste wezenlijke indicatoren. De gemiddelde levensverwachting is de afgelopen honderd jaar verdubbeld, het aantal mensen dat in extreme armoede leeft is gehalveerd. Een mooie samenvatting geeft Hans Rosling in deze beroemde Ted Talk:

Steven Johnson, de Amerikaanse auteur van onder andere ‘Where do good ideas come from‘, heeft een nieuw boek gepubliceerd waarin hij antwoord geeft op de vraag waar de nieuwe impuls van menselijke emancipatie vandaan moet komen. In ‘Future Perfect‘ vestigt hij zijn hoop op het stelsel van netwerken van ‘gelijkgestemden’ (peer network is de Engelse term, waarvoor ik nog geen adequate vertaling heb gevonden). Hij beschouwt het internet niet als een panacee, maar als een model. De Zeven Provinciën zijn ook zo’n model, net als de Italiaanse stads-staten van de Renaissance. Dit zijn al dan niet virtuele samenlevingen die niet centraal worden geleid, maar waar besluiten worden genomen op basis van lokale kennis en expertise.

Toen de Franse ingenieur LeGrand in de 19e eeuw de opdracht kreeg een spoorweg-netwerk aan te leggen, was het voor hem logisch dat alle lijnen in Parijs zouden eindigen. Het Franse spoor heeft nog steeds het schema van een ster, met de kern in Parijs. De Duitsers waren in die tijd veel minder geavanceerd – ze deden maar wat en beschikten over een ratjetoe aan lijnen. Toch won Bismarck de Frans-Pruisische oorlog van de jaren zeventig van die eeuw: hij was in staat zijn troepen, die met al die lijntjes en knooppunten gemakkelijk de kortste route konden nemen, veel sneller naar het front te verplaatsen dan de Franse legerleiders, die iedereen via Parijs moesten sturen.

In netwerkjargon heet dat gedistribueerde redundantie. Veel kleine weggetjes leiden naar hetzelfde doel.

De LeGrand-sterren beheersen nog steeds de besluitvorming in de meeste van onze overheden en bedrijven, waar soms, zegt Johnson, andere modellen veel meer effect zouden sorteren. De hoeveelheid data op grond waarvan beleidsmakers in overheid en bedrijven hun besluiten nemen, is niet te overzien. Juist dan is het niet handig dat deze besluitvorming zo gecentraliseerd verloopt. Rigide systemen die van bovenaf worden aangestuurd hebben veel meer moeite om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden en nieuwe eisen die de omgeving stelt. Als informatiestromen onbelemmerd hun loop kunnen vinden en besluiten op zo laag mogelijk niveau worden genomen, biedt dat elke organisatie meer kansen om te overleven in die snel veranderende omgeving.

Johnson is geen cyber-utopist. Zo zie ik mezelf ook niet. Maar met zijn analogie van het internet als een peer-network biedt hij wel een coherent wereldbeeld dat uitzicht biedt op de aanpak van sommige van onze meest dringende problemen.

En het mooie is: je hoeft geen vooruitgangsfetisjist te zijn om dagelijks een bijdrage te leveren aan het bewijs dat peer-networks werken: dat gebeurt namelijk elke keer als je een pagina van Wikipedia opslaat of een zoekresultaat van Google aantikt.

Foto: Brian Koprowski via Compfight

Meer variatie gewenst: op tijdstip, op type verhaal, op apparaat

PassengersDe afgelopen weken nogal druk geweest met de voorbereiding en het geven van een groot aantal trainingen, van Middelburg tot Groningen. Een van die trainingen handelt over responsive web design; een nerdy term voor wat niet meer is dan een techniek om rekening te houden met het apparaat waarop je website wordt bekeken. Bezoekers die met een mobiel je site proberen te bekijken, hebben een andere gebruikers-interface nodig dan wanneer ze naar een breedbeeldscherm zitten te staren. Wel of geen muis, wel of geen besturing met behulp van je vingers, wel of geen toetsenbord om een formulier op in te vullen – het maakt allemaal nogal verschil.

Nu lijkt dit allemaal vreselijk voor de hand te liggen – natuurlijk probeer je je publiek zo goed mogelijk van dienst te zijn. Maar de vraag die wel bij me opkwam is waarom dit voor techneuten, designers, maar ook voor de marketeers van grootwinkelbedrijven zo voor de hand ligt, terwijl de uitgevers en de journalisten het hele concept nog zo ongeveer moeten ontdekken.

Klein voorbeeldje: een van de toepassingen die ik met grote regelmaat gebruik, is die van Appie. Ja ik weet het, noem me burgerlijk, maar ik vind het een heerlijk ding. Ik zit op mijn gemak op een groot scherm in mijn huiskamer de beste recepten uit te zoeken uit een database van ettelijke tienduizenden, klik de maaltijden aan die me bevallen, voeg ze toe aan mijn boodschappenlijst, synchroniseer met de cloud. Terwijl ik vervolgens naar Albert Heijn kuier, haal ik mijn mobiel uit mijn zak, haal mijn lijstje op, en zet het op loopvolgorde voor de vestiging van Albert Heijn in mijn buurt.

Geweldig!

Of die mooie dienst van Directlease, die mij de goedkoopste tankstations in mijn buurt toont; of die van FourSquare of Tripadvisor, die me vertellen waar ik het lekkerste kan eten… Enfin, de lijst is natuurlijk eindeloos.

Maar wat wel opvalt: tussen al die mooie apps zit er geen enkele die je als journalistiek zou kunnen aanmerken. Het lijkt erop alsof de journalistiek nog helemaal niet door heeft dat wie in de rij staat voor de check-in-balie genoeg heeft aan een teletekst-achtige dienst op zijn mobiel; vervolgens in de wachtruimte op zijn tablet het grote nieuwsverhaal wil lezen; en als hij op de plaats van bestemming is aangekomen, rustig achter zijn desktop gaat zitten om andere aspecten van het verhaal tot zich te nemen of te participeren in de publieke discussie.

Op verschillende momenten van de dag heeft het publiek toegang tot verschillende apparaten, en heeft het publiek andere behoeften. Maar nog steeds maakt het merendeel van de uitgevers een one size fits all product. Natuurlijk hebben ze hun mobiele apps, en veranderen ze wat aan de vormgeving; maar de inhoud is niet anders. De inhoud is nog steeds dezelfde.

Er is geen nieuwsapp van een traditionele uitgever die in de gaten houd waar ik mij bevindt en mij dan op de hoogte brengt van wat zich in mijn directe omgeving heeft afgespeeld. En het hoeft niet alleen over nieuws te gaan. Dezer dagen verblijf ik in Groningen – ik zou het eigenlijk wel prettig vinden als mijn krant mij automatisch op de hoogte brengt van de culturele agenda in de stad, zodat ik dat niet zelf hoef  op te zoeken. Of waar zich de beste restaurantjes in mijn buurt zich bevinden.

Dat is mijn grote wens voor volgend jaar: dat er een Nederlandse uitgever opstaat die zich realiseert dat het verlenen van diensten aan je eigen publiek de belangrijkste reden van je bestaan is. Die weet dat hij veel meer kan kapitaliseren op de waarde van zijn merk en op het vertrouwen dat zijn publiek in dat merk heeft. En die ook doorkrijgt dat dat kapitaliseren letterlijk is bedoeld: dat je er geld mee kunt verdienen.

Foto:  Dani Sardà i Lizaran via Compfight

Disruptive innovation haalt nu ook het onderwijs

On focus...

Fascinerende blogpost van Clay Shirky over innovatie in het hoger onderwijs. Disruptive innovation, die al zoveel industrieën op hun kop heeft gezet,  trekt nu ook de fundamenten onder het hoger onderwijs weg. Via Mooc's (Massive Open Online Classes) volgen duizenden studenten colleges die op video zijn opgenomen, leggen ze proefwerken en tentamens af, en bestuderen ze schriftelijk materiaal.

Verstorende vernieuwing is het verschijnsel dat nieuwkomers in de markt een radicale vernieuwing voor een bestaand product presenteren, een vernieuwing die zodanig aanslaat dat zij de oude spelers en de oude producten volledig uit de markt verstoten. Zoals Shirky het omschrijft:

Once you see this pattern—a new story rearranging people’s sense of the possible, with the incumbents the last to know—you see it everywhere. First, the people running the old system don’t notice the change. When they do, they assume it’s minor. Then that it’s a niche. Then a fad. And by the time they understand that the world has actually changed, they’ve squandered most of the time they had to adapt.

Dit patroon was zichtbaar in de muziekindustrie, in de wereld van marketing en reclame, nieuws, detailhandel… in al deze sectoren (en nog veel meer) pogen traditionele spelers uit alle macht het hoofd boven water te houden terwijl ze zich de nieuwkomers van het lijf slaan.

De vernieuwing in het hoger onderwijs, zegt Shirky, komt van het online leren. En het interessante is dat het daar voormalige docenten zijn die hun prestigieuze universitaire broodheren zoals Stanford, Harvard en Yale hebben verlaten en het experiment zijn aangegaan om complete online cursussen aan te bieden. Zij bereiken, dankzij hun naam maar ook vanwege de kwaliteit van het aanbod, in een klap meer studenten dan al hun collega's bij elkaar.

Natuurlijk kun je de vraag stellen of studenten die een tentamen hebben gehaald via een Mooc net zo veel hebben geleerd als hun collega's die keurig lijfelijk aanwezig waren in de collegezalen en ook de werkgroepen hebben bijgewoond. De traditionalisten zullen met een voorspelbaar antwoord komen: vanzelfsprekend niet. Dat is onmogelijk. En ik denk inderdaad dat het beste van wat de universiteiten te bieden hebben ver uitstijgt boven de meest geavanceerde Mooc's.

Maar, betoogt Shirky (en ik ben dat met hem eens), dat is een oneerlijke vergelijking. Want dan vergelijk je het beste uit de twee categorieën met elkaar. In een eerlijke vergelijking pak je een gemiddelde collegereeks van een gemiddelde universiteit, en vergelijkt dat met een willekeurige reeks uit een van de vele Mooc's. En daarbij bieden de Mooc's een enorm voordeel: door hun openheid en transparantie kan er een feedback ontstaan waarmee de docent zijn voordeel kan doen. Kritiek op de aanpak van een cursus Statistiek heeft onmiddellijk geleid tot een herziening van dezelfde cursus.

Vergelijk dat met de praktijk aan veel universiteiten en HBO's waarbij docenten soms jarenlang kunnen doormodderen met verouderde methoden.

Het lijkt me dat ook buiten de traditionele onderwijsinstellingen de mogelijkheden van het online leren nog nauwelijks zijn doorgedrongen. Het principe van levenslang leren kan een stuk eenvoudiger worden toegepast als de student na een lange werkdag niet zijn warme huis hoeft te verlaten om in een kil klaslokaal naar een ongemotiveerde docent te luisteren. De Open Universiteit kan het zijn, maar dan in een veel laagdrempeliger variant.

Een kleine opsomming van de mogelijkheden die er nu al zijn:

Foto Elvin via Compfight

Reminder: hoe een nieuwe site op te zetten met ZF2

Ben goed thuis in Zend Framework 1 – heb daarin behoorlijk wat sites ontwikkeld. De nieuwe versie van ZF2, nu twee maanden oud, is ingrijpend gewijzigd. Omdat ik elke keer moet opzoeken wat ook alweer de beste manier is om een nieuw project te starten, notuleer ik maar even de stappen:

  1. Maak een nieuwe map aan voor je project
  2. Download en installeer composer, het gemakkelijkst gewoon in je terminal:
    curl -s https://getcomposer.org/installer | php
  3. Gebruik Composer om de ZF standaardapplicatie en het framework zelf te installeren:
    php composer.phar create-project --repository-url="http://packages.zendframework.com" zendframework/skeleton-application
  4. Composer doet suggesties voor aanvullende bibliotheken en modules; de enige suggestie die ik standaard overneem, is doctrine/common, omdat deze de annotatiefunctionaliteit van Zend Form mogelijk maakt. Voeg aan de 'require'-sectie in het composer.json bestand toe:
    "doctrine/common": "dev-master",
    "bjyoungblood/bjy-profiler": "dev-master",
    "zendframework/zend-developer-tools": "dev-master"
  5. Voer achtereenvolgens de commando's in:
    php composer.phar self-update
    php composer.phar update

    Doctrine, alsmede de twee extra modules worden gedownload en geïnstalleerd. Deze moeten overigens nog wel geactiveerd worden in je applicatie.

  6. Kopieer alle bestanden uit de skeleton-applicatie naar je projectmap; de skeleton-map kun je weggooien
  7. Kopieer het configuratiebestand van Zend Developer Tools naar ./config/autoload; verwijder de extensie dist, zodat het bestand gevonden kan worden door ZF
  8. Pas ten slotte je module lijst aan. Mijn PHP-configuratiebestand ziet er nu zo uit:
    return array(
        'modules' => array(
            'Application',
            'ZendDeveloperTools',
            'BjyProfiler'
        ),
        'module_listener_options' => array(
            'config_glob_paths'    => array(
                'config/autoload/{,*.}{global,local}.php',
            ),
            'module_paths' => array(
                './module',
                './vendor',
                './vendor/bjyoungblood',
            ),
        ),
    );
    

Anonymous is het RaRa van de 21e eeuw

Volkskrant-interview met twee Anonymous-leden

Intrigerend verhaal in de Volkskrant vandaag over Anonymous, de amorfe groep hackers die de afgelopen jaren van zich deed spreken in de discussies rond Wikileaks. Van de ondertitel in het screenshot van hiernaast, zo blijkt uit het stuk, klopt helemaal niets. Anonymous was van alles, maar in geen geval een organisatie van gelijkgestemden. Dat bleek vorig jaar natuurlijk al bij de afsplitsing van Lulzsec.

De Volkskrant interviewde Parmy Olson, bureauchef van Forbes in Londen, die een jaar lang onderzoek heeft gedaan naar de hackersgroep. Haar belangrijkste conclusie: het belang van Anonymous wordt overschat. Zo luidt ook de kop boven het verhaal. Maar dat lijkt me iets te kort door de bocht. Olson baseert deze uitspraak op haar waarneming dat Anonymous slecht georganiseerd is (wat wel geheel in stijl van de ideologie is natuurlijk) en de aanvallen slecht worden voorbereid. Anonymous als geheel is 'een groep waarin niemand voor honderd procent te vertrouwen is en waarin de leden niet alleen de buitenwereld, maar ook elkaar manipuleren'.

Een intrigerende uitspraak weliswaar, maar in ieder geval niet eentje waaruit je het belang (of het ontbreken ervan) van Anonymous kunt afleiden. Anonymous is volgens mij wel degelijk van groot belang geweest. Anonymous is het RaRa van de 21e eeuw, de mobilisator van online onvrede met machtige economische, politieke en maatschappelijke actoren. Anonymous voert een guerrillastrijd met moderne middelen. In plaats van brandbommen en explosieven gebruikt Anonymous SQL-injecties, open poorten en DDOS-aanvallen. Net als RaRa wordt Anonymous gedreven door een ideologie: die van het volstrekt vrije internet, waarop iedereen zijn gang kan gaan, en de volstrekte transparantie van politiek en maatschappij.

Dat de aanvallen van Anonymous worden ingegeven door opportunisme in plaats van strategie: dat maakt Olson in het interview niet duidelijk.

Het belang van Anonymous: zij hebben het politieke verzet tegen de westerse maatschappij in een modern jasje gegoten. Dat het jasje na een jaar of wat al gescheurd en verschoten is, doet aan het initiatief naar mijn idee weinig af. Het internet als guerrillawapen blijft niet beperkt tot de dictaturen in verre landen, maar kan ook hier wortel schieten. Of, zoals Olson dat verwoordt: 'Er is ook een linksere, meer activistische groep binnen Anonymous die hoopt de internationale bewustwording over bepaalde onderwerpen te kunnen stimuleren. Ik denk dat die activistische tak nog wel groter zal gaan worden.'

En die conclusie kan ik dan wel delen.

foto Videocapture Volkskrant-interview

Als trol ben je ook nergens meer veilig…

Het Noorse mythologische wezen dat het internet onveilig maakt: de trol

Het was te mooi om waar te zijn. Een beeldschone jonge meid, uit islamitisch milieu, verhaalt over haar vervelende ervaringen met Marokkaanse knapen. Ze groeit in korte tijd uit tot een van de sterbloggers op het inmiddels ter ziele gegane Volkskrantblog. Omdat ze wat te vertellen heeft, en omdat ze een pen kan vasthouden. En omdat ze jong is, mooi, en vrijuit schrijft over haar seksuele beleving. Topscore praktisch gegarandeerd.

Ik had in die tijd (we praten over 2006) een wekelijkse rubriek in de krant waarin ik de lezers vertelde over onze ervaringen met het voor die tijd revolutionaire blogsysteem. Ik schreef over haar, in bewonderende termen; maar ik plaatste ook een waarschuwing: we konden niet zeker zijn van haar identiteit. Misschien was de dame in kwestie wel een Hollandse vent van middelbare leeftijd met een eigen agenda. Een paar weken later bleek dat inderdaad het geval te zijn. We waren het slachtoffer van een hoax.

De herinnering komt bij me op nu we in recente weken drie keer zijn geconfronteerd met de soms rare gevolgen van anonimiteit op het web. Daarbij zijn slachtoffers gevallen – zelfs dodelijke.

De Canadese tiener Amanda Todd beroofde zichzelf vorige maand van het leven, nadat ze jarenlang, eerst online en later ook in het dagelijkse leven werd gepest met een paar foto's van haar blote borsten die ze had verstuurd. De Canadese autoriteiten deden onderzoek naar de man die de foto's had genomen in een chatsessie, en deze vervolgens gebruikte om haar jarenlang, anoniem, te stalken en te bedreigen. Maar voordat er iemand gearresteerd of officieel aangeklaagd kon worden, meende hackersgroep Anonymous de schuldige al gevonden te hebben.

Jammer was alleen dat ze de verkeerde aanwezen. Een openbaar volksgericht was het resultaat.

Een paar weken later werd op Gawker een trol ontmaskerd die jarenlang bij Reddit onder de schuilnaam ViolentAcrez had ingespeeld op de laagste instincten van bezoekers. Ondanks zijn smeekbedes om dat niet te doen, ging Gawker door met de publicatie – ViolentAcrez verloor niet alleen zijn baan, maar daarmee ook de ziektekostenverzekering die tot dan toe de medische kosten voor zijn invalide vrouw had gedekt. Eigen schuld, dikke bult, was de overheersende reactie op Twitter.

En dan is er het laatste voorbeeld, een indirect slachtoffer van orkaan Sandy. Twitteraar @comfortablysmug stuurde op het hoogtepunt van de orkaan alarmerende en naar later bleek onjuiste berichten de wereld in over overstromingen en evacuaties. Hij werd ontmaskerd door Buzzfeed, publiek vernederd, en zegde zijn baan en zijn politieke activiteiten op (hij zat in het campagneteam van een New Yorks republikeins lid van het Huis van Afgevaardigden).

Dit is geen pleidooi voor deze mensen – wat zij hebben gedaan, is absoluut verwerpelijk, geen twijfel over mogelijk.

Socioloog Dana Boyd merkt in een stuk in Wired op dat we in een steeds verder vernetwerkte maatschappij leven. De grens tussen online en offline wordt dunner en vager, en onze acties op internet zijn niet meer vrijblijvend. De mensen die verantwoordelijk zijn voor het   'doxen', het ontmaskeren, van trollen, blijken in de praktijk, soms onbedoeld, te fungeren als de leiders van de lynch-mobs uit vorige eeuwen. Publieke volksgerichten spreken veroordelingen uit voordat alle feiten bekend zijn.

Boyd voegt daaraan terecht toe dat daarvoor geen pasklare oplossingen bestaan. Met ons allen maken wij het internet tot wat het is – met alle prachtige mogelijkheden tot innovatie en creativiteit enerzijds, en alle afgrijselijke schaduwkanten anderzijds. Dit noopt ons tot het herontdekken van onze moraliteit – en dat is een proces dat nog wel even zal duren.

Als we anonimiteit beschouwen als een onvervreemdbaar recht van elk individu, dan moeten we elke onvrijwillige inbreuk op dat recht veroordelen. Onvervreemdbaar betekent dat het recht op anonimiteit altijd blijft bestaan en hooguit afgenomen kan worden door de aangewezen instanties: onze rechters en justitie-autoriteiten. Dat recht kan niet verspeeld worden omdat je benzine jat.

Dat lijkt mij een mooi startpunt voor onze zoektocht naar de moraal van ons online bestaan. Dat we daarmee ook internetoplichters, stalkers, pesters, pedofielen en andere cybercriminelen het leven iets gemakkelijker maken – misschien is dat de prijs die we ervoor over moeten hebben.

foto: Anna Bialowska

Europa, groei en innovatie

 

Visie op innovatie

Ik zag de afgelopen week een aantal berichten passeren over innovatie en hoe Europa hierin achterblijft. Ik ontwaarde in deze berichten een te mooie samenhang om hem hier niet aan te halen.

Het regeerakkoord

Het is voor mij off-topic, maar als oud-correspondent in Brussel kan ik het toch niet laten om een bericht te wijden aan de Europa-paragraaf in het gisteren gepubliceerde regeerakkoord (pdf). Ik heb de discussie rond de positie van Nederland in Europa met enige bevreemding gevolgd, omdat deze naar mijn idee voorbij gaat aan een paar fundamentele en eenvoudige waarheden:

  • problemen zijn steeds minder lokaal, en steeds vaker grensoverschrijdend:
    • criminaliteit
    • milieu
    • handel
    • fiscale stelsels
    • migratie
    • etc
      wat betekent dat internationale samenwerking noodzakelijk is om deze problemen aan te pakken
  • de VS is een homogene massamarkt, wat voor ondernemingen veel schaalvoordelen met zich meebrengt. De lidstaten van de EU zijn elk voor zich veel te klein om de concurrentie op wereldschaal aan te gaan
  • hoe je het ook wendt of keert, Europese landen hebben meer met elkaar gemeen (zelfs, bijvoorbeeld, de Zweden en de Grieken) dan elk van deze landen met de VS. Een gemeenschappelijke geschiedenis is een krachtige culturele verbindende factor

In het regeerakkoord wordt iets meer dan een pagina gewijd aan het Europese project. Die ene pagina ademt toch vooral de scepsis en de terughoudendheid die we de laatste jaren van onze politici gewend zijn geraakt.

Pessimisme over Europa

Bobbie Johnson, voormalig tech-correspondent van onder meer The Guardian en de BBC, is pessimistisch over de mogelijkheden van Europa om te innoveren. Hij zegt dat we ons in Europa te veel concentreren op de prestaties van Silicon Valley, en te weinig stil staan bij de mogelijkheden die Europa van zichzelf heeft. Ons verleden, onze gedeelde geschiedenis, beschouwen we niet als een creditpost waarmee we ons voordeel kunnen doen, maar als een last die als een molensteen om onze nek hangt. We proberen de succesfactoren van Sillicon Valley na te bootsen, en zijn hoe dan ook te weinig bezig met uit te vinden waar onze eigen mogelijkheden liggen.

Synthetische innovatie

Eerder deze week publiceerde Harvard Business Review een bericht waarin vraagtekens werden geplaatst bij de stelling dat de kosten van innovatie aan het dalen zijn. Op zich ligt de stelling voor de hand, omdat nieuwe technologie het steeds gemakkelijker maakt om met nieuwe producten de markt te domineren. Computers worden sneller en goedkoper, 3-d printers liggen in bijna ieders bereik… wat is er nog om een steeds snellere innovatie te stoppen? Veel, meent de auteur:

Technical complexity, social risk management (including lower tolerance for unintended consequences), diminishing returns, and talent challenges have all combined to raise the cost threshold of breakthrough innovation, even as downstream the costs of proliferation — reproducing, replicating, diffusing, disseminating, and indeed hacking innovation — have decreased. Think about the massive investments being made in innovation and R&D in the newly rich countries of Asia, like Singapore and China, and their struggles to produce truly groundbreaking innovation, and you will see the principle described above at work.

Uiteindelijk, zegt hij, liggen de mogelijkheden voor kleine ondernemingen en kleine landen niet in de kostbare innovatie en de dure R&D zoals die in de VS kan plaatsvinden. De achterblijvers moeten het zoeken in 'synthetische innovaties', waarbij de output van een innovatie van de eerste orde (bijvoorbeeld GPS-technologie) kan leiden tot een innovatie van de tweede orde (bijvoorbeeld de commerciële navigatiesystemen). Synthetisch innoveren is relatief goedkoop, weinig riskant, en potentieel zeer winstgevend.

De opdracht voor Frans Timmermans

TL;DR: Breek met de scepsis over Europa, accepteer dat onze toekomst daar ligt. En werk in Europees verband aan onze kracht: bouw aan een cultuur van open innovatie. Bouw aan een Europa dat:

could be the global innovation engine combining the best of both worlds [Azië en de VS, GJB], acting as a broker, facilitator and enabler between East and West. It does after all contain many of the right ingredients to support open innovation including diversity of opinions, intedepence, and decentralisation. Combine that with a central timezone, a very diverse population with global links, creative and financial hubs, why not seek to re-position Europe as the (open) innovation hub in a global innovation ecosystem?

 Ik heb Timmermans wel eens gesproken; hij komt op mij over als een man met een visie. Als hij nou ook nog de ruimte krijgt, komt het misschien toch nog goed met ons en Europa, en met ons en onze innovatie-agenda.

Schaf de abonnees af, promoveer ze tot leden

Voetballen

Ik moet toegeven dat ik altijd meesmuilend deed over mensen die melden: 'Ik ben al twintig jaar lid van de krant'.

"Meneer, u bent geen lid, u bent abonnee. Lid worden doet u maar van de voetbalclub en de omroep."

Gelukkig heb ik dat antwoord nooit gegeven, zeker niet omdat het lidmaatschap van een krant misschien helemaal zo'n gek idee niet is. Wat uitgevers meer dan ooit nodig hebben, is loyaliteit van hun klanten. En leden zijn volgens mij loyaler dan abonnees.

Dat is een marketingargument – en goede marketing wordt mogelijk gemaakt door goede producten en diensten. Dus als je zo'n lidmaatschap inhoud wil geven, dan zul je meer moeten bieden dan je nu je abonnees geeft.

Van een voetbalclub word je lid. Daarmee koop je het recht om mee te doen aan trainingen en wedstrijden. Maar wat misschien nog wel veel belangrijker is: je gaat deel uitmaken van een organisatie waarbij je je thuis voelt. Misschien wordt zo'n club zelfs wel een soort familie – je ziet je clubgenoten een paar keer per week, je deelt het verdriet van de nederlaag en het genot van de overwinning, je ziet elkaar naakt onder de douche,en na de wedstrijd neem je bij pils en bitterballen de week door.

Nou is dit geen pleidooi om de krant op eenzelfde manier te reorganiseren. Maar kranten zijn feitelijk al een tijdje bezig om hun abonnees te promoveren tot leden. Een lid van de Volkskrant krijgt 'm in de bus, natuurlijk, maar mag ook 

  • tegen een verlaagd tarief de allermooiste films op dvd aanschaffen
  • mooie wijnen uitkiezen in de wijnclub
  • op stap met correspondenten in bijvoorbeeld Turkije en Rusland

En waarom zou je dat dienstenpakket niet fors uitbreiden? Het lidmaatschap van de krant biedt vele voordelen:

  • korting op voorstellingen in schouwburg en muziekzaal
  • schrijfles van de eindredacteuren
  • debatavonden en lezingen van toonaangevende redacteuren
  • een cursus fotokijken van de fotoredactie
  • ruimhartige toegang tot digitale producties
  • korting op andere producten en diensten die worden geleverd door het conglomeraat waarvan de Volkskrant deel uitmaakt (De Persgroep)

Met een middagje brainstormen is dit lijstje uitgebreid tot honderd items, waarvan je er vijf in het eerste jaar gaat uitvoeren. En dat hoeft ook allemaal niet onder het eigen merk – met een paar pakkende nieuwe namen is er ook nog een mogelijkheid dat je een heel nieuwe doelgroep kunt interesseren voor je producten – waarna het stapje naar de krant wellicht niet zo groot meer is.

Dan kun je met recht zeggen: een abonnement? Dat is zo ouderwets. Wij bieden u een lidmaatschap aan!

Foto van Vramak

Journalisten moeten zelf commercieel leren denken

Dat redactionele manifest, waarover ik het in mijn vorige bericht had – als we duidelijk kunnen maken waarom we het nodig hebben, wordt het wellicht ook iets eenvoudiger om het eens te worden over de inhoud ervan.

Ter herinnering: het gaat er mij om dat de Nederlandse journalistiek ingedeeld kan worden in twee groepen: 'vernieuwers' en 'afwachters'. Tussen deze twee groepen gaapt een culturele afgrond.

De vernieuwers pleiten voor een veel actievere en snellere integratie van nieuwe journalistieke technieken en publicatievormen dan nu gebeurt. Ze willen profiteren van het feit dat hun publiek langs steeds meer andere kanalen het nieuws tot zich neemt, steeds minder trouw is aan de traditionele nieuwsmerken, en steeds meer op zoek is naar informatie die hun bereikt op het moment dat het hun uitkomt. Een handzame en wetenschappelijk verantwoorde samenvatting van deze ontwikkelingen vind je bij Nieman.

De afwachters vinden dat we met snelle innovatie een te groot risico lopen. Er wordt nog steeds veel geld verdiend met print. De huidige, traditionele consumenten raken van je vervreemd als je ze niet meer voldoende bedient met je papieren product. En digitale vernieuwing heeft zich in commercieel opzicht nog niet of nauwelijks bewezen, vinden ze.

Die kloof is naar mijn idee niet goed voor de journalistiek als ambacht, en ook niet goed voor de beroepsgroep als geheel. Het leidt ertoe dat de discussie over de journalistiek wordt gevoerd in twee kampen in plaats van in de beroepsgroep als geheel.

Over fundamentele, inhoudelijke journalistieke waarden bestaat in kringen van journalisten weinig discussie. De grote meerderheid van de Nederlandse vakbroeders en -zusters heeft het gezag van de Raad voor de Journalistiek geaccepteerd, en gebruikt de Leidraad  (pdf) als handleiding voor het eigen professionele handelen. Ik stel me zo voor dat we zouden moeten streven naar een gelijksoortige consensus over de niet zozeer de inhoud van het journalistieke ambacht, als wel over de organisatie daarvan. Daarom heb ik het ook niet over een 'journalistiek' maar een 'redactioneel' manifest. Het moet gaan over de manier waarop ons mooie vak in de toekomst kunnen blijven bedrijven op een economisch verstandige en journalistiek verantwoorde manier.

Als ik lees dat Newsweek wil overgaan op volledig digitale publicatie, en verneem van de onzekerheid over de toekomst van de Guardian, op papier en digitaal – dan denk ik dat het tijd wordt dat journalisten zich actiever gaan bemoeien met de manier waarop hun vak wordt georganiseerd. We moeten dat niet overlaten aan de uitgevers. Met alle respect voor dat nobele vak – uitgevers hebben voornamelijk verstand van geld verdienen, en niet zozeer van journalistiek. Journalisten moeten meer gaan nadenken over de toekomst van hun eigen vak.

Dat is de ratio achter mijn pleidooi voor een nieuw redactioneel manifest. Daarom is zo'n leidraad net zo hard nodig als die van de Raad voor de Journalistiek.

Pleidooi voor redactioneel manifest

Oude redacties zijn ouderwets

Toen ik in 2003 de overstap maakte van het correspondentschap in Brussel naar de internetafdeling van de Volkskrant, waarvan ik de chef mocht worden, keken veel collega's mij verbaasd aan. Ze vonden het een degradatie – er waren zoveel leukere en journalistiek prestigieuzere posten te bemachtigen.

Mijn promotie in 2007 tot hoofd van de Online Uitgeverij, de innovatie-afdeling van de Volkskrant, maakte evenmin indruk. Integendeel, veel mensen zagen me als een uitvreter, die zich in de zandbak aan het vermaken was met nieuwe media als speelgoed, terwijl zij hard doorsappelden om de krant te vullen. Ik heb me in de jaren daarna met mijn pleidooien voor meer innovatie, meer journalistiek experimenteren, en grotere betrokkenheid van ons publiek, niet populairder gemaakt.

Het is omwille van die ervaringen dat ik tot de opvatting ben gekomen dat de meeste journalisten uitermate conservatief zijn. Ze zitten voor het overgrote deel gevangen in de routine van hun werk, het schrijven naar de deadline (eenmaal per dag), en het streven om met een mooi geschreven reportage of een spattend nieuwsbericht op de voorpagina van de papieren krant terecht te komen.

Dat het vak aan het veranderen was, wilden de meesten nog wel inzien. Maar tegelijk was dat voor hen geen stimulans om zelf mee te veranderen. Op een enkeling na, wilden de meesten niet aan het bloggen slaan; en zij die het wel deden lieten zich uit het veld slaan door het trolgedrag van sommige vaste bezoekers van vk.nl. Hoe je lezers zou kunnen betrekken bij het verbeteren van het journalistieke product, hoe je sociale media inzet om je verhaal verder te verspreiden, en hoe het gebruik van multimedia helpt om je verhaal overtuigender te vertellen – slechts een minderheid interesseerde zich hiervoor. Ik denk dat van de 200 man op de redactie, er uiteindelijk niet meer dan 30 waren die daadwerkelijk wilden meehelpen om de journalistieke veranderingen in de wereld te introduceren bij de Volkskrant.

Aanleiding voor het ophalen van deze herinneringen is een reactie die Jeroen Smit achterliet bij mijn vorige post over het redactiemodel van de Nieuwe Pers. Volgens Smit moeten merken als Telegraaf en NRC snel inspelen op de tendens dat hun journalistieke coryfeeën steeds meer zelfstandige merken aan het worden zijn. Ik ben het daarmee helemaal eens.

Nieuwkomers in het vakgebied hebben dat ook door. De nieuwe journalisten, de mensen die net afgestudeerd zijn en een niche zoeken in de journalistieke markt, belichamen de toekomst. Zij hebben veel beter inzicht in de manieren waarop het publiek met het nieuws omgaat, ze weten hoe ze nieuwe journalistieke technieken moeten inzetten om het verhaal te vertellen, en ze denken na over de 'conversatie' die je als journalist met je publiek zou moeten aangaan via sociale media als Facebook en Twitter.

Het probleem is alleen dat  het nog niet zal meevallen om de redactionele terughoudendheid aan te pakken. Alle objectieve aanwijzingen ten spijt, geloven veel redacteuren in vaste dienst dat het hun tijd wel zal duren. Zij denken dat de vaardigheden en het talent waarmee ze tot de top van de vaderlandse journalistiek waren gekomen hun overeind zal houden totdat ze met pensioen zijn.

En de pest is: misschien hebben ze daarin nog wel gelijk ook. Krantenuitgevers (zo mogelijk nog behoudender dan redacties) houden vast aan hun traditionele verdienmodellen; en als ze noodgedwongen moeten reorganiseren, kijken ze eerder naar redactionele omvang dan naar mogelijke kostenbesparingen door radicale innovaties (tablets, iemand?). Zo beschouwd zal het redactionele conservatisme vanzelf uitsterven, als een vast redactioneel dienstverband echt niet meer bestaat.

Moeten we dus maar afwachten en de tijd zijn loop laten hebben? Dat zou dom zijn – want hoeveel kapitaal verspelen de gevestigde merken als NRC en Telegraaf dan wel niet, en hoeveel journalistieke en commerciële kansen zouden we dan laten lopen?

Wat we eigenlijk nodig hebben, is een nieuwe journalistieke consensus zoals die nu bestaat over ethische waarden als streven naar onpartijdigheid, hoor en wederhoor, onafhankelijkheid. Zo zouden we ook een redactioneel manifest kunnen gebruiken. Een manifest:

  • waarin we de journalistiek opnieuw definiëren, maar nu volgens moderne inzichten.
  • dat erkent dat de verhouding tussen de journalist en zijn publiek een andere is geworden.
  • dat inziet dat met moderne middelen veel spannender verhalen verteld kunnen worden.
  • dat streeft naar snellere acceptatie van nieuwe distributievormen en -platforms.
  • dat voorstellen doet over de organisatie van de journalistiek.

Toen ik deze post aan het voorbereiden was, draaide mijn Spotify-radiostation (Red Hot Chili Peppers als startband)   'My Generation' van The Who. Nu ik deze laatste zinnen tik, hoor ik 'Killing in the Name of' van Rage Against the Machine. Twee songs, decennia van elkaar gescheiden, maar die wel allebei de gevestigde orde schokten. Dat kan geen toeval zijn.

(c) foto